Headline

Slogan

Inlog formulier

Nieuwsbrieven

Blijf op de hoogte over De Rode Ridder! Selecteer hieronder de nieuwsitems waarvoor U zich wenst in te schrijven.

081. De vluchtelingen

Algemene informatie

Tekeningen

Scenario

Uitgiftejaar

1978

Samenvatting

In een woud ontmoet Johan een blinde bedelaar, die hem in ruil voor een aalmoes de toekomst voorspelt. Wanneer de bedelaar een flonkerend licht aan de nachthemel voorspelt dat een voorbode van gevaar betekent, denkt Johan er het zijne van en vervolgt zijn weg. Onmiddellijk daarna stormen vier woeste ruiters over het pad en rijden spoorslags de bedelaar onderuit. De rabauwen zijn verdwenen voor Johan iets kan ondernemen. Hij bekommert zich over de zwaargewonde bedelaar, die hem nogmaals waarschuwt voor het flonkerende licht. Tot Johans verbazing kan de blinde man zelfs een heuvel in de verte aanwijzen waar het licht zal neerkomen. Daarna bezwijkt hij aan zijn verwondingen.

Bij valavond komt Johan aan op de top van de dichtbeboste heuvel en ontdekt er een granieten megaliet. De megaliet blijkt warmte uit te stralen; Johan begint nu meer en meer in de woorden van de overleden bedelaar te geloven en speurt de nachtelijke hemel af tot hij een ongewoon sterk licht bemerkt dat eerst aangroeit tot een soort vallende ster en uiteindelijk aanzwelt tot een reusachtige witgloeiende bol. Het gevaarte komt vlak bij Johan en de megaliet neer. Plots wordt de hele omgeving in een dichte nevel gehuld.

Johan ontwaart in de optrekkende nevel een vreemde machine - een duivelstuig volgens onze middeleeuwse ridder, die uiteraard nog nooit een vliegende schotel heeft gezien. Nog voor hij van zijn verbazing kan bekomen stapt er een futuristisch geklede jongedame uit. Johan grijpt verschrikt naar zijn zwaard, maar wordt onder bedwang gehouden door het laserpistool van de vrouw, die even de werking van haar wapen demonstreert op een boom zodat Johan de nutteloosheid van enig verweer inziet. De vrouw laat merken geen kwade bedoelingen te hebben en nodigt Johan uit aan boord van het ruimteschip. Binnen ontmoet hij Raszlik, de partner van de vrouw; haar naam is Aïmara. Ze leggen aan Johan uit dat ze vluchtelingen zijn van een andere wereld en op aarde een nieuw bestaan willen beginnen. Ze landden op de heuvel omdat de megaliet in feite een baken is dat lang geleden door andere ruimtereizigers werd opgericht. De betrachting van Raszlik en Aïmara is nu om ergens een burcht te kopen, waar ze vreedzaam kunnen wonen; ze vragen Johan om hen bij deze zoektocht en de aankoop te begeleiden.

Wanneer Johan hen vraagt hoe ze de aankoop van een burcht denken te betalen, tonen ze hem honderden edelstenen: waardeloos op hun planeet, maar een vermogen waard op aarde. Johan voorspelt dat ze door dit fortuin een hoop moeilijkheden tegemoet gaan, maar stemt toch in om de ruimtereizigers bij te staan in hun opzet. Het koppel verkleedt zich in de plaatselijke klederdracht. Plots bemerkt Aïmara vier ongure individuen op de monitor: het zijn de vier rabauwen die in de verte het lichtfenomeen opgemerkt hadden en nu op weg zijn naar de heuveltop. Aïmara wil geweld vermijden en daarom verlaten ze het ruimteschip. Aïmara laadt de zak met edelstenen in de zadeltassen van Johan's paard, maar niemand merkt hoe hierbij een robijn in het gras valt. Johan is stomverbaasd wanneer hij ziet hoe Raszlik door een druk op zijn halssnoer het ruimteschip onzichtbaar maakt door het in een andere tijdsperiode te plaatsen.

Tegelijkertijd wordt de megaliet niet langer actief en verliest zijn warmteuitstraling. Samen dalen ze de heuvel af, op zoek naar een hoeve, waar Johan paarden wil kopen voor de ruimtereizigers. Wanneer de rabauwen bij de megaliet aankomen vindt een van hen de robijn in het gras. Hij ontdekt tevens dat door in de robijn te kijken er mijlenver mee kan gekeken worden. Jerdal, de leider van het viertal, ontneemt hem de edelsteen en speurt er de horizon mee af: zo ziet hij Johan en zijn gezellen in de verte. Hij vermoedt dat zij nog meer van die edelstenen hebben en zet samen met zijn kompanen de achtervolging in.

Johan en de ruimtereizigers arriveren op de grote hoeve van de argwanende Hannes, die hen de twee gevraagde paarden verkoopt. Johan betaalt met goudstukken om niet nog meer argwaan bij Hannes te wekken. Hij vraagt hem naar de locatie van het dichtstbijzijnde kasteel, en wordt de weg gewezen naar het kasteel van heer Rudbert. Onwennig op de paarden - dieren die hen niet vertrouwd zijn - volgen Aïmara en Raszlik Johan naar het kasteel. Wanneer het paard van Aïmara op hol slaat is Johan alert genoeg om haar net op tijd van een zware val te behoeden. Het compliment dat Johan van haar krijgt kan tellen: ze zegt zich nog nooit zo veilig gevoeld te hebben als in Johan's armen. Inmiddels zijn de rabauwen bij de boerderij aangekomen; Hannes herkent hen als Jerdal en zijn drie al even ongure broers. Hannes weigert te zeggen waarheen de drie bezoekers vertrokken zijn, maar een getrokken zwaard brengt hem op andere gedachten. De vier broers zijn verheugd te horen dat hun prooien op weg zijn naar heer Rudbert, want dat is hun oom.

Wanneer de vier wegrijden slaat de hebzucht ook bij Hannes toe: hij heeft uit de onderlinge conversatie van de broers kunnen opmaken dat zij op het spoor zijn van een kostbare buit. Vergezeld van zijn gewapende knechten vatten zij op hun beurt de tocht aan naar het kasteel van heer Rudbert. Aïmara vertelt Johan onderweg over hun vijanden in de ruimte: de Zadoks en de Grywyls, die beiden ook nog eens in oorlog zijn met elkaar. Ze wil er op aarde voor waken dat deze vijanden hen niet kunnen ontdekken. Wanneer ze in het kasteel aankomen, onthaalt heer Rudbert hun voorstel op hoongelach, maar verandert onmiddellijk van idee wanneer Johan hem enkele edelstenen toont en hem vraagt wat zijn prijs is. Rudbert wil dit bij een beker wijn bespreken. Johan vertrouwt het boeltje niet en verwisselt zijn beker met die van Rudbert. Wanneer Rudbert zijn beker leegdrinkt volgen de anderen. Toch voelen Johan, Aïmara en Raszlik zich meteen bedwelmd; Rudbert verklaart hen lachend dat er een slaapmiddel in de wijn zit, waar hij zelf immuun voor is. De bewusteloze bezoekers worden in de kerker vastgeketend en Rudbert eigent zich de edelstenen toe.

Lang duurt zijn plezier niet, want de broers zijn het kasteel binnengedrongen en bij het zien van de schat jagen ze hun oom zonder scrupules over de kling. De rabauwen verzekeren zich van de medewerking van Rudbert's soldaten door hen een deel van de schat te beloven. De soldaten rekenen meteen af met Hannes en zijn knechten, die niet verder geraken dan de poort van het kasteel. De broers begeven zich naar de kerker om meer te weten te komen over de herkomst van de edelstenen. Ze weten echter niet dat Raszlik er net voor hun binnenkomst in geslaagd is om een laserwapen samen te stellen door zijn riemgesp met deze van Aïmara samen te voegen. Wanneer de boeven geweld willen gebruiken, brandt Raszlik met het laserwapen de ketenen door en schakelt met de hulp van Johan de boeven uit.

Het drietal vlucht naar het binnenplein, maar krijgt de soldaten op hun nek, die nu hun kansen op het fortuin ruiken. De kansen voor onze vrienden zien er niet goed uit wanneer het laserwapen van Raszlik zonder energie raakt en hij ook nog ernstig wordt verwond; op de koop toe breekt het zwaard van Johan. Gedwongen door de situatie activeert Aïmara het ruimteschip door op het halssnoer van Raszlik te drukken, goed wetende dat deze plotse energieopstoot hun vijanden kan alarmeren. Het ruimteschip materialiseert zich en doodt ogenblikkelijk met laserstralen alle soldaten. Johan en zijn gezellen begeven zich in het ruimtetuig, waar Raszlik door middel van een medisch apparaat binnen enkele ogenblikken herstelt van zijn zware verwonding. De stilte wordt al gauw verstoord door een alarmsignaal: op de monitor zien ze verschrikt dat de materialisatie van het ruimteschip en het gebruik van de lasers hun vijanden niet ontgaan is: een vijandelijke oorlogsvloot is op komst!

Raszlik en Aïmara hopen nog op de minst dramatische mogelijkheid: de Grywyls hebben respect voor moed en zijn voor rede vatbaar, in tegenstelling tot de Zadoks die meedogenloos zijn. Helaas, het is Kara Hissar, de leider van de Zadoks die op de monitor verschijnt en de onvoorwaardelijke overgave eist van Raszlik en Aïmara; deze weten echter dat dit slechts een middel is om hun ruimteschip in handen te krijgen, waarna de Zadoks hen zullen doden. Zij weigeren dan ook elke medewerking, waarop Kara Hissar lachend afsluit. Aïmara en Raszlik beseffen dat tijd nu kostbaar is, en maken zich klaar voor vertrek. Johan neemt afscheid van zijn ruimtevrienden; Aïmara belooft hem dat ze hem later nog eens komen opzoeken… indien ze dit overleven.

Johan blijft alleen achter in het kasteel terwijl het ruimtetuig wegraast. Door goede stuurmanskunst en slim gebruik van hun afweer kunnen Raszlik en Aïmara enkele vijandelijke tuigen vernietigen en een doorbraak forceren. De resterende ruimteschepen achtervolgen de vluchtelingen, die ontzet zien dat ook nog een oorlogsvloot van de Grywyls op hen afstevent. De Grywyls storten zich onverschrokken op de Zadoks, hun aartsvijanden. Even later is de hele Zadokvloot vernietigd; alleen het ruimteschip van Kara Hissar kon de dans ontspringen. De Grywylvloot zit nu in het zog van de vluchtelingen. Op de monitor verschijnt de leidster van de Grywyls: ze spreekt Aïmara en Raszlik toe dat ze hun moed bewondert en dat ze dank zij hen de Zadoks een gevoelige klap konden toebrengen. Daarom wil ze hen voor deze ene keer vrije baan laten. Opgelucht zien de vluchtelingen hoe de Grywylvloot verdwijnt.

De hele tijd stond Johan op het binnenplein van het kasteel naar de nachtelijke sterrenhemel te kijken, waar hij af en toe de lichtflitsen van de ruimtegevechten kon waarnemen. Vertwijfeld stelt hij zich de vraag of Aïmara en Raszlik dit geweld hebben overleefd, tot hij hun ruimteschip opmerkt dat als laatste groet een wijde boog om de omgeving maakt en dan in de ruimte verdwijnt. Weemoedig vraagt Johan zich af of hij Aïmara en Raszlik ooit nog zal terugzien. Nog een ding staat hem te doen: hij werpt alle edelstenen in een meer omdat te veel mensen er hun leven door hebben verloren…

Destijds ontstond bij de verschijning van dit verhaal een polemiek: velen vonden het maar sneu dat de Roder Ridder op de kar sprong van de toen heersende Star Wars-mania. Het komt inderdaad vreemd over om Johan geconfronteerd te zien met oorlogsvloten uit de ruimte. Ook zijn aanwezigheid in een vliegende schotel doet onwennig aan (hierbij laat ik uitwassen in recentere Rode Ridder verhalen buiten beschouwing). Ook ik behoorde tot de lezers die trouw de avonturen van de Rode Ridder volgden in de krant en dit verhaal maar minnetjes vonden. Waarschijnlijk was mijn aversie voor het toentertijd hippe science fiction gedoe zo groot dat ik het verhaal minderwaardig achtte aan de roemruchte middeleeuwse avonturen van onze held, en ik was echt niet de enige.

Desondanks heeft dit verhaal zijn kwaliteiten, meer zelfs dan op het eerste zicht kan vermoed worden. In tegenstelling tot de meeste Rode Ridder verhalen, die vanuit het eenzijdige perspectief van Johan worden verteld, speelt dit verhaal zich immers op verschillende niveaus tegelijk af: zowel de belevenissen van de vier broers als van Hannes leiden een eigen leven, en uiteindelijk wordt alles mooi met elkaar vervlochten. De afrekening in de ruimte staat zelfs volledig los van Johan, die op dat moment af en toe in een plaatje getoond wordt terwijl hij in het ongewisse blijft over hetgeen zich ver boven zijn hoofd afspeelt.

Het verhaal heeft meerdere krachtlijnen: zo is er bijvoorbeeld de voorspelling van de blinde bedelaar die bij de lezer verwachtingen schept die volledig ingelost worden: leuk om zien is hoe Johan zijn ongeloof geleidelijk aan moet bijstellen. Dan is er de megaliet - met connotaties naar "2001: A Space Oddyssey" - die de ontmoeting symboliseert tussen verleden en toekomst. De menselijke hebzucht weegt echter het zwaarst door in dit verhaal: een na een sneuvelt elk individu dat uit pure hebzucht zijn begerige klauwen op het fortuin aan edelstenen wil leggen. Zelden vertoond, dergelijke systematische afrekening met de kleine kanten van de mens.

Wat mij echter het meeste bijblijft is het in aanvang oprechte geloof van Aïmara en Raszlik in de mensheid: onbevangen leggen zij hun lot in handen van Johan en betrouwend op zijn eerlijkheid vertrouwen zij hem de schat toe. Zij gaan er tevens van uit dat hun eerlijke bedoelingen niet door de mensen zullen geschaad worden. Wanneer je je er rekenschap van geeft dat Aïmara en Raszlik hun wereld in de steek hebben gelaten om met de beste bedoelingen op de hen onbekende aarde een nieuw bestaan uit te bouwen, kan je niet anders dan met hen meeleven, zeker wanneer, met uitzondering van Johan, iedereen zich uit hebzucht tegen hen keert. Tekenend is de weerzin waarmee Raszlik uitschreeuwt dat ze hem tot deze reactie dwingen, wanneer hij in de kerker het laserwapen tegen de rabauwen en de soldaten moet gebruiken omdat zij op het punt staan om Aïmara te folteren.

Dat deze vluchtelingen geen brave sulletjes zijn blijkt wanneer zij op hun vertrouwde ruimteterrein met een leeuwenhart de confrontatie met de Zadoks aangaan. Dit gevecht in de ruimte is trouwens van hoog niveau en spannend uitgewerkt. Uiteindelijk komt het enige mooie gebaar aan de vluchtelingen nog van de leidster van de Grywyls, die hun leven spaart en hen vrije doorgang verleent.

Ongezien bij de Rode Ridder tot dan toe is hoe de laatste vier bladzijden - in feite het hoogtepunt van dit verhaal - zich volledig buiten de aanwezigheid van Johan afspelen. Machteloos en vervuld van twijfels komt Johan tijdens deze afrekening slechts even in beeld. Op het einde vraag je jezelf samen met Johan af of we de vluchtelingen ooit nog eens zullen terugzien. Die hereniging gebeurt sneller dan verwacht, namelijk in het volgende verhaal, maar dat is voor een andere keer. Ik, die dit verhaal in de onderste schuif had gelegd en het na twintig jaar met zoveel scepsis begon te herlezen, moet tot mijn eigen verbazing constateren dat dit niet alleen het eerste Rode Ridder verhaal is dat ik nu veel beter vind dan in mijn jeugdjaren, het is voor mij bovendien een van de beste Rode Ridder verhalen.

Quote van de dag

Als Bahaal het op zijn heupen krijgt, is het kermis in de hel!

 

Demoniah in 'De Judasgraal'