Headline

Slogan

Inlog formulier

Nieuwsbrieven

Blijf op de hoogte over De Rode Ridder! Selecteer hieronder de nieuwsitems waarvoor U zich wenst in te schrijven.

082. Karpax, de stalen man

Algemene informatie

Tekeningen

Scenario

Uitgiftejaar

1978

Samenvatting

Johan houdt op een van zijn zwerftochten halt wanneer hij een zonderling voetspoor opmerkt. Het lijkt wel of de diepe voetsporen door een geharnast zwaargewicht achtergelaten zijn. Plots staat Johan oog in oog met de verklaring van het raadsel: een uit de kluiten gewassen persoon, volledig omhuld door een blinkend harnas. Wanneer de metalen verschijning een beweging maakt naar Johan toe, reageert hij alert, maar zijn zwaard laat zelfs geen schrammetje na op het harnas. De vreemdeling blijft kalm en stelt zich met een metaalachtige stem voor als KR-PX, in mensentaal is dat Karpax, en vervolgt dat hij gezonden is door Aïmara (die we nog kennen van het voorgaande verhaal, "De Vluchtelingen").

Ze bevindt zich op Kaluga, een verre planeet, waar haar partner Raszlik wordt gevangen gehouden door de vijandige Zadoks (ook allemaal bekenden uit "De Vluchtelingen"). Karpax is de perfecte reisleider en licht Johan in dat er op Kaluga een tropisch klimaat heerst, weliswaar met allerlei prehistorische monsters die er de omgeving onveilig maken. Ook de inboorlingen - agressieve blauwhuidige barbaren - zijn dan misschien wel bezienswaardigheden maar alleszins te duchten. Uiteraard heeft Karpax voor transportmogelijkheid gezorgd: om het hoekje wacht een grote doorzichtige bol. Johan is sedert het vorige verhaal al het een en ander gewoon op dat gebied en laat zich niet pramen om in te stappen. Een ogenblikje later komen ze reeds op Kaluga aan.

De praktisch aangelegde Karpax verkleint de bol tot zakformaat en neemt hem in een vakje van zijn harnas mee. Ze moeten al snel dekking zoeken voor enkele Zadoks die zich als futuristische Aladdins verplaatsen op een vliegend platform. De Zadoks voeren een inboorling gevankelijk mee. Karpax laat zijn metalen stem nog eens ronken en verklaart Johan dat de Zadoks de Djawür-inboorlingen gevangen nemen en hen als slaven inzetten in de Tyrgam-mijn. Tyrgam is een onverwoestbaar en kostbaar metaal - Karpax is er uit vervaardigd - en de Zadoks willen er ruimteschepen mee bouwen. Karpax ronkt verder wanneer Johan hem vraagt zijn helm af te zetten: hij is geen persoon, doch een zelfstandig functionerend werktuig. Eventjes schrikken is dat voor Johan, want van het bestaan van robotten had hij tot dan toe nog nooit gehoord.

Iets minder schrikt hij wanneer plots een prehistorisch monster de aanval inzet op hem en zijn buddy. Geen probleem voor Karpax: hij hakt met één arm een enorme boom om en deelt er een ferme tik mee uit aan het monster, die in het vervolg wel twee keer zal nadenken voor hij nog eens een robot aanvalt. Karpax laat niet na eventjes aan te stippen dat hij slechts halve kracht gebruikte; kwestie dat Johan op de hoogte is van zijn kunnen en zijn bescheidenheid. Ze komen aan in de grot waar Aïmara verblijft: het is een wanhopige Aïmara die Johan omhelst. Johan is verwonderd waarom zijn hulp gevraagd wordt, omdat ze de kant-en-klare probleemoplosser Karpax ter beschikking heeft. Aïmara verduidelijkt dat de Zadoks gealarmeerd zouden zijn door Karpax' komst, en onmiddellijk Raszlik en de andere gevangenen zouden doden. Net als de andere slaven wordt Raszlik immers ingezet in de Tyrgam-mijn.

De drie besluiten om niet te dralen, maar eerst plaatst Aïmara een tijdelijke energiecel in het zwaard van Johan, zodat hij er zelfs mee door rotsen en metaal kan klieven. Het presentje voor Karpax is iets explosiever: hij krijgt van haar een bom, die hij netjes wegbergt in een van zijn vele handige bergvakjes. De bom dient om de mijn te vernietigen wanneer Raszlik en de andere gevangenen bevrijd zijn zodat er geen reden meer is tot slavenarbeid. Op weg naar de mijn horen Johan en zijn gezelschap plots rumoer: een bataljon Zadoks is een dorp van de Djawürs binnengevallen en steekt met hun laserwapens de hutten in brand. Ze zijn immers op zoek naar verse werkkrachten om hun slavenbestand in de mijn aan te vullen. Uit de vlammen duikt ineens Karpax voor hen op. De laserstralen deren hem niet en proper is hij ook, want hij past nauwgezet het principe "opgeruimd staat netjes" toe op de geschrokken Zadoks. Slechts enkele Zadoks kunnen zich terugtrekken in een hut, waar ook een bange inboorlinge zich schuilhoudt.

Wie gedacht had dat Johan tevreden zou zijn met een bijrol in dit verhaal heeft het verkeerd voor: met zijn energetische zwaard in de knuist kuist hij het boeltje op en bevrijdt de plaatselijke schone, die ook nog eens de dochter van het stamhoofd blijkt te zijn. Die Johan toch! Het wordt eventjes gezellig, maar de ridderplicht roept en Johan trekt met Karpax, Aïmara en de Djawürkrijgers in zijn zog naar de mijn. Zilyussa, de vrouw die door Johan werd gered, wijkt geen centimeter van zijn zijde. Bij de mijn aangekomen zijn ze er getuige van hoe een vloot ruimtejagers van de Grywyls de Zadoks aanvallen. De aanval wordt afgeslagen, maar niet zonder dat Karpax nog een staaltje van zijn kunnen kan geven: een neerstortende ruimtejager duikt recht op Johan en zijn gezelschap af, waarop Karpax een omvangrijk rotsblok neemt en er het ruimtewrak mee uit de weg kegelt. Ze maken meteen van de verwarring gebruik en vallen de Zadoks aan, die zich in de mijn terugtrekken.

Even willen twee omvangrijke robotten de pret nog bederven, maar dat was zonder Karpax gerekend, die de snoodaards in elkaar timmert. In de mijn heeft Raszlik door het oproer kans gezien om een controlepaneel te bedienen, zodat het Karpax-Team het laboratorium van de mijn kan binnendringen. Via een monitor roept Kara Hissar, de leider van de Zadoks, zijn soldaten toe om het laboratorium tot het uiterste te verdedigen. De strijd woedt in alle hevigheid verder: een van de Zadoks vuurt naar Johan, maar Zilyussa springt voor Johan om de dodelijke straal op te vangen en bekoopt dit met haar leven. Inmiddels heeft Raszlik kans gezien om een laserwapen te bemachtigen, en werpt zich samen met de slaven in de strijd. Kara Hissar verneemt dat nu ook nog Grywyljagers rond de planeet cirkelen en kiest eieren voor zijn geld. Hij knalt zijn naaste medewerkers omver en verlaat met een klein ruimteschip de planeet, maar wordt door enkele Grywyljagers tot gruis herleid.

Karpax begeeft zich ondertussen met de bom in de liftkoker, maar de Zadoks vernietigen de liftkabels zodat Karpax neerstort en geblokkeerd zit. Onder aanhoudend weerwerk van de Zadoks beseffen Johan en zijn vrienden dat ze niets meer voor Karpax kunnen doen en ze ontvluchten de mijn. Even later ontploft de mijn: iedereen beseft nu dat Karpax zichzelf opgeofferd heeft door de bom tot ontploffing te brengen. Weken gaan voorbij… Aïmara is ontroostbaar wegens het verlies van haar gepolijste vriend en Johan zit met een klein probleempje: Karpax had de doorzichtige bol bij zich die hem moest toelaten om naar de aarde terug te keren. Gaan de Rode Ridder avonturen zich voortaan noodgedwongen op de planeet Kaluga afspelen? Nee, want Johan merkt op een dag hoe een molshoop zich manifesteert op het dorpsplein. Deze bescheiden molshoop neemt buitensporige proporties aan, en uiteindelijk kruipt Karpax uit de aarde; hij had zich dagenlang een weg naar de oppervlakte gewerkt! Dat is even boffen voor Johan, die afscheid neemt van zijn vrienden en met de bol een enkeltje naar de aarde doet.

Dit verhaal is eigenlijk een vervolg op "De Vluchtelingen". Nu heb ik niets tegen sequels, op voorwaarde dat het op een aanvaardbaar niveau gebeurt. Helaas, in dit geval valt het volgende op te merken:

  • Het voorgaande verhaal vereiste geen vervolg, het kende zelfs een mooi open einde met de vraag of Johan ooit nog zijn vrienden uit de verre ruimte zou terugzien.
  • Een vervolg is meestal kwalitatief minder goed dan zijn voorganger. Wanneer dat vervolg echter véél minder goed is, schort er iets.
  • "De Vluchtelingen" blonk onder meer uit in de persoonlijkheidsschetsen van Raszlik en vooral Aïmara; niets van dat alles in dit verhaal, waar beiden gereduceerd zijn tot karakterloze randfiguren. Dit maar om aan te geven dat er geen nood was aan een vervolg.

    Vele lezers van Het Nieuwsblad en De Gentenaar, de kranten waar de Rode Ridder destijds dagelijks in verscheen, ergerden zich aan "Karpax de stalen man", niet alleen omdat het een tweede Rode Ridder verhaal op rij was in de science fiction-sfeer, maar vooral omdat op dat moment de twee andere Vandersteenstrips die in deze kranten verschenen (Suske en Wiske & Robert en Bertrand) óók over robotten gingen. Tja, dat was wel wat teveel koek van hetzelfde deeg. Bij de Rode Ridder kwam er dan nog bij dat dit verhaal zich volledig op een andere planeet afspeelde, in omstandigheden die totaal onherkenbaar waren. Het vereist een erg goed scenario om van een dergelijk gegeven iets mooi te maken, en daar knelt het schoentje.

    Wat Zilyussa in dit verhaal kwam doen is mij een raadsel (tenzij zo vriendelijk zijn om als schild voor Johan te dienen): nog nooit een schone in een Rode Ridder verhaal gekend die zich zo kleurloos opstelde (en dat voor een blauwhuidige kleurlinge!).

    Karpax deed mij vooral denken aan Archie uit de reeds lang ter ziele gegane stripreeks "De Man Van Staal": dezelfde "lichaamsbouw" en tropische locatie, zelfs de titel verwijst ernaar - zou het misschien een bedekte hint zijn van Karel Biddeloo? Maar zelfs Archie had zijn beperkingen, in tegenstelling tot Karpax die ongeveer dezelfde capaciteiten als Jerom heeft. Gelukkig zijn er nog de flegmatieke replieken van Karpax, bijvoorbeeld: "Een dwaze energieverspilling, heren!", wanneer de Zadoks hem vruchteloos trachten te vellen met hun laserwapens, of zijn bedenking wanneer de inboorlingen Johan als redder van Zilyussa inhalen: "Primitieve taal! Nu ja, wilden…". Die lichtpuntjes redden dit verhaal. Ik weet het, reden tot juichen is er niet, maar een mens moet leren tevreden te zijn met de kleine dingen in het leven.

Quote van de dag

Heer, geef mij de kans om die bedelaar te straffen!
Ik ben een ridderszoon en laat mij niet verslaan in het bijzijn van een boerenmeid!

 

Erik in 'De gouden sporen''