Headline

Slogan

Inlog formulier

Nieuwsbrieven

Blijf op de hoogte over De Rode Ridder! Selecteer hieronder de nieuwsitems waarvoor U zich wenst in te schrijven.

106. De levende doden

Algemene informatie

Tekeningen

Scenario

Uitgiftedatum

10/1983

Samenvatting

Bij het vallen van de avond breekt een zwaar onweer uit. In de striemende regen zoekt Johan, de Rode Ridder, een onderkomen voor de nacht. Een lichtschijnsel trekt de aandacht van de dolende ridder. In de hoop er beschutting te vinden geeft Johan zijn paard de sporen. Tot zijn verbazing gaat het licht niet uit van een hut of nederzetting, maar van een kerkhof waar een uitdovende flambouw zijn laatste licht verspreidt.

De ridder meent op het grimmige kerkhof beweging te ontwaren. Zijn vertwijfelde roepen wordt op een wel zeer onverwachte manier beantwoord: een haveloos geklede man, met een vale huid en ogen die een witte gloed uitstralen stormt rauw brullend op Johan af. Bij het aanschouwen van deze verschrikking begint het paard van de ridder wild te steigeren. Wanneer hij tenslotte z’n rijdier terug onder controle heeft, is de belager reeds verdwenen.

Aan de horizon merkt de ridder nu een machtige burcht en een nabijgelegen dorp op. Zich nog steeds afvragend wat er zonet gebeurd is, rijdt Johan naar het dorp. In het dorp wordt Johan allesbehalve gastvrij onthaald. Een enigszins nerveuze nachtwacht maakt de ridder er attent op dat het verboden is na zonsondergang op straat te komen, omdat de nacht de komst van “de levende doden” betekent. Alle verdere uitleg weigerend, verwijzen de soldeniers de ridder door naar een herberg.

De waard en zijn gade Mona verwelkomen de ridder. Ze brengen hem op de hoogte van de situatie; sinds enkele maanden wordt het dorp door onverklaarbare sterfgevallen geteisterd. Kwatongen beweren dat deze doden uit het graf zijn opgestaan en ’s nachts ronddwalen. Terwijl de herbergier en zijn vrouw Johan meer uitleg verschaffen, dwalen twee donkere gestalten rond in de straten.

Plots doet rumoer op straat de ridder verschrikt opspringen. Met getrokken zwaard stormt Johan de straat op. De soldeniers hebben een man en een vrouw aangehouden en ranselen ze duchtig af. Johan neemt het uiteraard voor de belaagden op en roept de soldeniers hardhandig tot de orde.

Het tweetal stelt zich voor als de reizende heelmeesters Ermijn en Drusilla. Ze voeren een geheime opdracht op bevel van de koning uit. Ze moeten het mysterie van de levende doden uitklaren. Enkele maanden geleden werd immers een naburige stad door levende doden bestormd. Deze bleken niet vatbaar voor pijn en verwondingen en beschikten bovendien over een ongeziene lichaamskracht.

Nadat Johan, Ermijn en Drusilla zich naar hun kamer begeven blijkt plots de gruwelijke waarheid: de herbergier en zijn vrouw zijn handlangers van de levende doden. De waard ontgrendelt de achterdeur en drie levende doden sluipen de herberg in. Een naar voorgevoel dwingt Johan ertoe een kijkje op de gang te nemen. Hij merkt onmiddellijk de levende doden op en barricadeert de kamerdeur. Deze maatregel blijkt quasi nutteloos te zijn, daar de levende doden onweerstaanbaar door de deur breken. Ook het zwaard van de Rode Ridder blijkt geen verweer te bieden. In een wanhopige poging om zich tegen de grimmige aanvallers teweer te stellen, giet Ermijn een brandbare vloeistof over de levende doden. Drusilla gooit er een kandelaar achterna, waardoor de belagers in wandelende toortsen worden herschapen. Johan en zijn metgezellen kunnen via het dak ontsnappen. De drie levende doden worden onder het puin van de instortende herberg bedolven.

Om te vermijden dat ze door de nachtwacht zullen worden opgepakt op verdenking van brandstichting, ontvluchten Johan, Ermijn en Drusilla het dorp. Aan het kerkhof wacht hen wederom een onaangename ontmoeting. Een oude vrouw waarschuwt hen dat ze een volgende keer niet aan de levende doden zullen ontsnappen. Johan wil de vrouw verdere uitleg vragen, maar ze blijkt spoorloos verdwenen tussen de graftomben.

Bij zonsopgang verzoekt het drietal bij de burcht van heer Solon om onderdak. Solon schijnt de oude vrouw die op het kerkhof ronddwaalde te kennen; ze zou Kunegonde heten en totaal ongevaarlijk zijn. De burchtheer wijst het gezelschap kamers toe.

Vanuit het raam van z’n kamer merkt de Rode Ridder een begrafenisstoet op. Ermijn stelt onmiddellijk voor om op onderzoek uit te gaan. De stalmeester weigert echter halsstarrig om het duo te laten vertrekken. Het komt zelfs tot een handgemeen tussen hem en Johan. De burchtheer komt tussenbeide en stelt voor om Johan en de heelmeester te vergezellen. Ermijn krijgt van de familie van de overledene toestemming om het lichaam te onderzoeken. Hij stelt vast dat de dode weliswaar geen hartslag meer heeft, maar toch is zijn lichaam nog warm. Om tot verder onderzoek te kunnen overgaan neemt Ermijn enkele druppels bloed van de dode.

Die nacht ligt het kerkhof er allesbehalve dood bij. De aarde van het vers gedolven graf wordt van onderuit omgewoeld. Uit het graf werkt zich een levende dode naar boven. Kunegonde wacht haar nieuwe discipel op. Ze neemt hem mee naar een afgelegen graftombe. Die verschaft toegang tot een duistere tunnel die naar de burcht van Solon leidt. Kunegonde geeft de levende dode onmiddellijk een eerste opdracht: de gasten van Solon uitschakelen!

De nietsvermoedende Ermijn en Drusilla merken niet op hoe de deur achter hen geruisloos wordt opengemaakt. De levende dode grijpt Ermijn vast en dwingt hem uit een kleine kruik te drinken. Ook Drusilla zou hetzelfde lot ondergaan, ware het niet dat de Rode Ridder met getrokken zwaard naar binnen stormt. De agressor keert zich onmiddellijk tegen de ridder. Deze beseft dat hij in een klassiek gevecht niet kan winnen, dus lokt hij de levende doden achter zich aan. Tijdens een finaal handgemeen op de burchtwallen slaagt Johan erin de levende dode over de kantelen te werpen. Met een luide plons belandt deze in het water en komt niet meer aan de oppervlakte.

Inmiddels ontfermt Drusilla zich koortsachtig over haar broer. Ze blijkt echter machteloos te staan. Enkele ogenblikken later overlijdt Ermijn.

Tijdens een speurtocht door de burcht stoot de Rode Ridder, vergezeld van Solon, op Kunegonde. Tot zijn afgrijzen duiken ook verscheidene levende doden op. Solon slaat Johan buiten bewustzijn. De weerloze ridder wordt door de levende doden naar de ondergrondse schuilplaats van Kunegonde gebracht.

De wantrouwige Drusilla besluit de burcht van Solon te ontvluchten. Terwijl ze op het paard van Johan de burcht uit raast, ontwaakt Ermijn uit zijn schijndode toestand. Ook hij is nu … een levende dode!

Wanneer Johan ontwaakt beseft hij in wat voor een wanhopige situatie hij is terechtgekomen. Hij bevindt zich geboeid in de schuilplaats van Kunegonde, omringd door levende doden. In haar arrogante overmoed brengt ze Johan honderduit op de hoogte van al haar plannen. Ze onthult Johan zelfs de enige zwakte van de levende doden: daglicht. Met het uitzicht om zelf een levende dode te worden, treedt Johan impulsief in actie. Met een trap zet hij het mechanisme in werking dat de schuilplaats van Kunegonde afschermt. De grafzerk schuift open en Johan snelt naar buiten. De levende doden proberen de ridder tegen te houden, maar het daglicht wordt hen fataal. Kunegonde zet het op een lopen, terug de burcht van Solon in.

Terwijl Johan in afwachting van een treffen met Solon en zijn soldaten een barricade opwerpt, begint Drusilla aan een tegengif te werken. Johan slaagt er schijnbaar moeiteloos in de soldeniers tegen te houden. De roekeloze Solon valt al gauw onder het zwaard van de Rode Ridder. De overblijvende soldaten zoeken hun heil in de vlucht.

Drusilla heeft ondertussen een tegengif bereidt. In een ultieme poging om de levende doden te doen ontwaken, gooit ze een glazen karaf met het tegengif tussen de levende doden stuk. Het inademen van de dampen zorgt ervoor dat de handlangers van Kunegonde terug zichzelf worden.

Kunegonde beseft dat haar rijk uit is. In een poging om aan een schandelijk proces te ontsnappen, werpt ze zich op het zwaard van de Rode Ridder. Zo eindigt de horror van de levende doden voorgoed.

“De Levende Doden” is het eerste Rode Ridder-album dat in kleur verscheen, alweer een hele tijd geleden; in 1983. Ik vond het album al die jaren geleden geweldig, en ik ben diezelfde mening nog steeds toegedaan.

De basis van het verhaal is in essentie niks speciaals: een “zombieverhaal”. Toch slaagt Biddeloo erin om aan een universeel en reeds ettelijke malen uitgemolken plot een eigen draai te geven. Het is iets waar hij destijds blijkbaar zeer goed in was (en later al veel minder; zoals bijvoorbeeld het latere “Nosferatu” getuigt).

Het tekenwerk is van een vrij hoog niveau. De tekeningen zijn verzorgd en gedetailleerd. De decors zijn prachtig uitgewerkt. In dit album bedient Biddeloo zich van bijzonder geslaagde perspectieven. De traphal in de herberg (band 17), de strijd van Johan met een levende dode op de kantelen (band 48), … zijn mooie voorbeelden. Er zijn helaas ook een aantal minder geslaagde tekeningen in dit album terug te vinden, zoals het hoofd van Drusilla in band 12 of de eigenaardige gelaatsuitdrukkingen van Johan in band 33 en 34.

De naargeestige inkleuring gaf dit album daarbij ook nog eens net die extra sfeer mee dat een duister verhaal nodig heeft.

Slotsom: “De Levende Doden” is een uitstekend verhaal dat ik graag met vier sterren bedenk.

Dit is niet bepaald een historisch ridderverhaal dus moeten we een aantal onrealistische stellingen door ogen durven zien. Het geknoei met toverdranken, anti-toverdranken, mensen die sterven en terug tot leven komen met lichtgevende ogen is op z’n zachtst gezegd onrealistisch, maar zorgt bij deze wel voor aangenaam vermaak – en dat is tenslotte wat telt.

Ook de typische arrogante houding van de “slechterik” die op het finale moment net even z’n plan uit de doeken doet en er de zwakheden bij vernoemt en daarbij nog es impliciet de ontsnappingsweg toont zijn klassiek materiaal.

Quote van de dag

Het resultaat van een leven hard werken laat men niet in de handen van een bende plunderaars, heer!

 

Wulf in 'De gouden sporen'