Headline

Slogan

Inlog formulier

Nieuwsbrieven

Blijf op de hoogte over De Rode Ridder! Selecteer hieronder de nieuwsitems waarvoor U zich wenst in te schrijven.

156. De Graalkoning

Algemene informatie

Tekeningen

Scenario

Inkleuring

Uitgiftedatum

11/1995

Samenvatting

Tintagel lijkt buiten spel gezet: Lancelot ligt gewond te bed en zal dus niet kunnen uitrijden om de Graal te zoeken, een levende Stalen Ring van krijgers sluit de trotse burcht af van de buitenwereld en de schepen van Demoniah maken ook een uitweg over zee onmogelijk. Onbegrijpend kijken Demoniah en de heer van Camelard dan ook toe hoe ’s nachts één enkel ridder het belegerde kasteel komt uitgestormd. DE RODE RIDDER!...

Roekeloos boort de zwaargeharnaste ruiter zich met zijn lans een weg doorheen de eerste groep omsingelaars die hem trachten te onderscheppen. Wanneer echter nog meer krijgers komen opdagen, lijkt het alsof Johan als een rat in de val zit. Plots lijkt het hele bos dat Tintagel omringd in brand te staan. Dol van angst lopen de handlangers der Duisternis alle kanten op, terwijl de dappere graalzoeker tussen de brandende versperringen en krijgers zijn weg naar de buitenwereld vindt.bDemoniah is dan ook woedend wanneer ze ontdekt dat geen enkel manschap brandwonden oploopt en het hele vlammenspel slechts bedoeld was om de Rode Ridder veilig doorheen de vijandige linies te brengen. Terwijl een nagenietende Merlijn vanop de kantelen van Tintagel het resultaat van zijn illusie overziet, zet Demoniah de achtervolging in. De duivelin heeft slechts één doel: Johans queeste doen misslukken.

Inmiddels heeft Johan reeds een ruime voorsprong uitgebouwd en bereikt hij bij het ochtendgloren de restanten van een overvallen dorp. In een van de uitgebrande gebouwen vindt hij Kunegonde. Zij smeekt de ridder om haar bloedverwanten, die door Satyr de rovershoofdman als slaven werden meegevoerd, te bevrijden. Hoewel de tijd voor zijn vrienden in Tintagel dringt, besluit hij haar te helpen en gaat met Kunegonde de rover in het gebergte opzoeken. Vanuit het smeulende dorp kijkt Trevrizent, de Bewaker van het Graalpad, de ridder goedkeurend na.

Na eerst met het grote slagzwaard op de geruiterde roversbende te hebben ingehakt, komt het tot een tweestrijd met de hoofdman zelf. In dit gevecht wordt Satyr uit het zadel geworpen en smeekt ongewapend om genade. Wanneer Johan echter opmerkt dat de hoofdman nooit zelf genade toonde, komt Trevrizent tussenbeide en waarschuwt Johan dat hij niet zomaar zelf een hulpeloze kan ombrengen. Johan duidt er van zijn kant echter op dat hij geenszins van plan is om een verslagen tegenstander af te maken.
De Bewaker van het Graalpad zend de roversbende weg en verzekert Johan dat zij hun straf niet zullen ontlopen, gezien ze de Zwarte Dood met zich meedragen. Na het afscheid van Trevrizent en Kunegonde zet Johan zijn queeste verder en legt aanzienlijke afstanden af.
Tegen valavond bevindt de ridder zich reeds middenin een moeras en wordt hij in het donker beslopen. Het blijkt Kunegonde te zijn die de ridder achterna gereisd is. Lang kan het tweetal niet bijpraten, want uit het mistige moeras komt een leger moerasduivels te voorschijn. De voorhoede zakt echter weg in het moeras en Johan zet zich schrap om de rest op te vangen. Wanneer Kunegonde haar mes neemt en de Rode Ridder in de rug wil aanvallen, reageert hij echter bliksemsnel en werpt haar in het drijfzand. Hij had het opzet van de verkleede Demoniah, die hem als vleermuis was achterna gevlogen, doorzien. De hele nacht vecht hij de moerasduivels van zich af en tegen de ochtend blijft geen enkele van zijn belagers nog over. Zijn tocht naar de Heilige Graal verderzettend, beseft Johan wel dat Demoniah zich uit het moeras zal weten te bevrijden en ze zijn tocht nog lastig zal maken.
Na een dagenlange trektocht ontmoet hij Trystram, een oud ronde tafelridder die de wapens heeft afgezworen, met zijn gevluchte stadsgenoten. De stedelingen willen echter niet geholpen worden en laten de ridder achter. Wanneer Trystram nog naroept dat door de schuld van krijgers de stad ten prooi gevallen is aan de Zwarte Dood, denkt Johan onmiddellijk aan Satyr met zijn bende en trekt op onderzoek uit.
Tegen valavond bereikt de Graalzoeker de verlaten en trieste stad. Slechts in het hoofdkwartier van de plunderaars brand nog licht en Johan staat net op het punt om gewapend binnen te vallen als Satyr door de deur naar buitenvalt. Zijn companen zijn reeds gestorven in helse pijnen en hijzelf smeekt de Rode Ridder om een snelle dood met het zwaard. Nog maar net heeft Johan zijn zwaard in de rovershoofdman geplant, of Demoniah schreeuwt het van de daken. De Rode Ridder is in haar valstrik getrapt! Door zich het leven van Satyr, die zij met de Zwarte Dood besmette, toe te eigenen, is hij de Graal niet waardig. Doch de pas verschenen Trevrizent stelt dat Johans daad een daad van barmhartigheid was en zijn zwaard vrij is van alle smet. Ondanks de woorden van Trevrizent twijfelt de ridder. Hijzelf is nu immers besmet en draagt de kiemen van de Zwarte Dood met zich mee.
Op aanraden van de Bewaker van het Graalpad gaat hij op zoek naar de Visserskoning. Indien aan hem de enige vraag die van belang is, wordt gesteld, zal de Zwarte Dood slechts een kwade herinnering zijn. Na dagenlang zoeken wordt Amfortas, de Visserskoning, gevonden. Hoewel Johan hem waarschuwt voor het besmettingsgevaar, nodigt de man hem uit in zijn bootje en biedt hem gastvrijheid aan. Onderweg is Johan getuige van de bovenaardse struik waar Lancelot over vertelde, maar langzaam maar zeker komt het bootje dichter bij de burcht van Amfortas, Montsalvat. Zijn vriendelijke gastheer is niet alleen Visserskoning, maar staat ook bekend als ‘de Graalkoning’.
Van zodra het bootje naast het Graalkasteel aanmeert, helpen dienaren Amfortas in een draagstoel. Het ontgaat de ridder niet dat dit gebeurd met hevige pijnen. Johan wilt vragen wat er scheelt, maar de aanwezigheid van de dienaren doet hem daartoe nog even wachten. De Graalkoning leidt de ridder naar de grote hal, waar hij wordt voorgesteld aan de overige bewoners van Montsalvat: de Tempeliers en Trevrizent. Groot is Johans verbazing als deze zijn gelaat laat toont. De Bewaker van het Graalpad blijkt zijn oude vriend Merlijn te zijn.
Na de kennismaking nodigt Amfortas allen uit aan tafel en terwijl iedereen in een diepe stilte afwacht of het wonder van de Graal zich zal voltrekken, valt het de Rode Ridder op dat zijn gastheer alweer door pijnen getroffen wordt. Door barmhartigheid gedreven zet Johan zich recht en stelt de ene vraag die van belang is: ‘Sire, wat is de oorzaak van uw lijden? Kan ik U op welke manier ook behulpzaam zijn?’ Verheugd en van zijn vloek bevrijd, veert de Graalkoning recht. Plots weerklinken hemelse harpen en engelenkoren en terwijl de hal vervuld wordt met de verrukkelijkste geur van duizend lentebloesems, voltrekt zich het wonder van de Graal voor de ogen van elke aanwezige.

Badend in het wonderlijke licht trekken de ridders hun wapenuitrusting aan en rijden met de macht van de Graal aan hun zijde uit om onderweg leven en gerechtigheid uit te dragen. In de dorpen waar de Zwarte Dood heerste, wordt genezing en nieuwe hoop gebracht en uiteindelijk wordt koers gezet naar het nog steeds omsingelde Tintagel. Daar wordt het wachten de heer van Camelard teveel. De marionnet van Bahaal wilt actie, wat hij dan ook nog dadelijk krijgt. Demoniah heeft hem nog maar net verwittigd van de komst van de Graalridders, of deze breken al door hun linies en lopen Lodograns troepenmacht onder de voet. Demoniah, die langs de lucht tracht te ontkomen, wordt door een meesterlijk schot van Merlijn aan flarden geschoten en hoewel Lodogran met zijn Lenore en Zhaky kon ontkomen, is de slag gewonnen.
De uitnodiging van Amfortas om in Montsalvat in te trekken, moet Johan weigeren. Hij is nog teveel aan zijn zwerversbestaan gehecht. De Graalkoning dringt echter niet aan; temeer daar hij weet dat Merlijn hem graag met een nieuwe opdracht wilt belasten. Na het afscheid van de Graalridders, keren Johan en Merlijn terug naar Tintagel, waar Guinevere en een herstelde Lancelot hen al van ver toewuiven. Daar bereiden ridder en tovenaar zich voor op hun nieuw avontuur, een zoektocht naar Avalon, het eiland der gelukzaligen.

Wie de recensies van de vorige albums reeds gelezen heeft, heeft ongetwijfeld al lang door dat dit één van mijn favoriete Rode Ridderperiodes is en het begint me zwaar te worden om niet in herhaling te vallen. Want wat kan ik nu nog zeggen?
In vind het tekenwerk alweer oogstrelend; de inkleuring is nog steeds het mooie concept van zijn voorgangers: Op heel de tekening wordt haast steeds een mengeling van twee kleuren gelegd. Door het in elkaar vloeienvan die kleuren en door te spelen met de plaats ervan wordt dit de dominante kleur Op deze manier wordt samen met het zwart van de inkting, een schaduw- en lichtspel gecreëerd. Prachtig gewoon om zien, om nog maar te zwijgen over het verhaal zelf.
Het is bekend dat Karel als geen ander zijn stripheld in bestaande mythes kon inwerken, maar met dit levert hij toch een haast bovenaards meesterstuk af.
Trevrizent, de Graalkoning die met zijn ziekte op die ene vraag in zijn graalkasteel zit te wachten, de dood van Satyr, de Stalen Ring, de Zwarte Dood,… Ik zou niet weten hoeveel elementen uit de Middeleeuwen, graalromans en symboliek in dit ene album verwerkt zitten. Gewoon fabuleus!!

Quote van de dag

Kom op, ellendige slavendrijvers en zie hoe een ridder sterft!

 

Johan in 'De parel van Bagdad'