Algemene informatie04/1990
Amelrick Pynnock, de heer van Horst, verschijnt voor de kapittelraad - een kerkelijke rechtbank - die hem moet vonnissen als priestermoordenaar. Na een kort proces wordt hij veroordeeld tot een boetetocht naar Rome. Terwijl Amelrick aan zijn lange en gevaarlijke reis begint, maken wij kennis met een nieuwe figuur, Willibrord de kroniekschrijver, die op weg is naar Horst om de heldendaden van onze vrienden tijdens de Slag van Woeringen voor de vergetelheid te behoeden. Hij wordt eventjes opgehouden door een drietal schurken, maar zijn met lood verzwaarde kruk weet wel raad met dergelijk galgenaas. Willibrord wordt hartelijk ontvangen door de ridders van Horst. Deze besluiten om meteen op te treden tegen de steeds driester wordende rabauwen.
Samen met boer Coene van de Donkerhoeve wordt een valstrik opgezet, waar de boeven met open ogen in moeten lopen. Ondertussen is er echter een zware storm opgestoken, die Amelrick Pynnock noodlottig wordt, als een bliksemflits hem treft. Terzelfdertijd licht de wapenrusting van Amelrick in de ridderzaal van Horst onheilspellend op. Dit zijn echter zorgen voor later, want eerst staat het treffen met de dievenbende die de streek onveilig maakt op het programma. De hinderlaag werkt perfect, en de vijanden worden tot de laatste man over de kling gejaagd. Enkel de leiders van de bende, Juliaan en Ilse, kunnen ontkomen. Ze besluiten hun laatste troefkaart uit te spelen, en Horst binnen te dringen om de kasteelvrouw Amaranda te gijzelen.
Juliaan zwemt de slotgracht over, maar op dat moment gebeuren er vreemde zaken in het kasteel. Alle wachtposten liggen in een diepe slaap, en een onheilspellend lichtschijnsel komt recht op Horst af. Het blijkt een karos, getrokken door 6 nagelwitte paarden te zijn. De deur zwaait open, en de rusteloze geest van Amelrick Pynnock verschijnt op het binnenplein. Hij botst onmiddellijk op een totaal verbijsterde Juliaan, die hij blind maakt met één zwaai van zijn zwaard. Daarna vraagt hij Amaranda om mee te komen met zijn karos. Ze weigert echter, en de karos stuift in een razende vaart weg van Horst. De ridders hebben het gebeuren vanop een afstand kunnen volgen, en stuiven naar Horst. Er wordt besloten om de hulp in te roepen van een exorcist. Deze begint onmiddellijk met allerlei bezweringen en uitdrijvingen, maar blijkt eigenlijk voornamelijk ge-interesseerd te zijn in de Hagelandse druivenwijn en de schitterende keuken van Horst.
Om middernacht breekt weer een helse storm los, en de spookkaros doet weer zijn intrede in Horst. Amelrick Pynnock is niet onder de indruk van het optreden van de exorcist en eist dat Amaranda hem volgt in de dood. De kasteelvrouw besluit gehoor te geven aan de oproep van de rusteloze geest en vervoegt haar man in de spookkaros.
De Spookkaros is het laatste deel van Horst-trilogie, die begint met de Heren van Rode. Het is een album met 2 gezichten: het eerste deel handelt over de afrekening met de dievenbende van Juliaan en Ilse, terwijl het tweede deel heel wat mysterieuzer is, met de herrijzenis van de doodgebliksemde Amelrick Pynnock. Deze strip valt best te pruimen, en bezit een aantal humoristische noten.
Algemene informatie9/1990
Een ijlbode op weg naar het kasteel van Horst wordt vanuit een hinderlaag neergeschoten. De zwaargewonde ruiter tracht zich weg te slepen in het struikgewas, maar wordt al snel bijgehaald door zijn belager. Op dat ogenblik passeert er echter een zwaar bewaakte lastwagen, en een ruiter van het escorte vangt het hulpgeroep van het slachtoffer op. Onze held - want het betreft hier natuurlijk Johan, de Rode Ridder - springt onmiddellijk van zijn paard en speurt met getrokken zwaard het struikgewas af. Al snel botst hij op de boosdoener, en rekent in een kort treffen met hem af. De boodschapper is op sterven na dood, en overhandigt Johan een bericht voor Alfons de Beauchamp.
Johan spoedt zich na zijn wedervaren met zijn escorte en lastwagen naar Horst. De belangrijke vracht van het escort blijkt een nieuwe kok voor de kasteelkeuken te zijn (de vorige hield het voor bekeken toen de schranspartijen van o.m. kroniekschrijver Willibrord de spuigaten begonnen uit te lopen ).
De boodschap bevat slecht nieuws voor Alfons de Beauchamp, de graaf van Warwick : in Engeland woedt een bloedige burgeroorlog ('De Rozenoorlog') tussen 2 clans (De Witte Roos en de Rode Roos) met de troon als inzet. De bondgenoten van Alfons verzoeken hem onmiddellijk terug te keren aangezien de toestand precair is.
Onze vrienden laten er geen gras over groeien, en bij dageraad vertrekken Alfons, Johan en Dirk de Vere naar Engeland. Een bevriend burchtheer, Leopold van Ijsendijck, zorgt voor een escorte tot aan de kust. Na een korte schermutseling in de haven kunnen Johan en zijn kompanen het anker lichten en naar Engeland zeilen. Als ze voet aan wal zetten op Engelse bodem, wacht hen echter reeds een nieuwe hinderlaag: een sterk detachement onder leiding van Richard van York, de aartsvijand van Alfons, wacht hen op. Als de nood het hoogst is, is de redding echter nabij, en jawel : een sterke afvaardiging van de Rode Roos stort zich op de belagers, en drijft ze met zware verliezen op de vlucht.
Daarna zetten Johan en zijn Engelse vrienden de tocht naar Warwick ongestoord verder (een klein akkefietje met een roversbende, waarbij Dirk de Vere om indruk te maken op zijn nieuw lief, eventjes een zware verwonding oploopt niet te na gesproken).
Op Warwick maakt de Horst-delegatie kennis met Lorena, de dochter van Alfons de Beauchamp. De ontmoeting is van korte duur, want nog voor het avondeten wordt de jonge deerne ontvoerd door de 'vertrouwensman' van Alfons, die natuurlijk omgekocht is door de Witte Roos. Het zesde zintuig van Johan heeft natuurlijk onmiddellijk iets in het snotje, en hij stuurt er kroniekschrijver Willibrord op uit om de verdachte rentmeester te schaduwen (zo krijgt onze nijvere ambtenaar ook eens wat beweging).
Al snel wordt de verdwijning van Lorena gesignaleerd, alsook het eisenpakket van de Witte Roos : de overgave van Alfons de Beauchamp. 's Morgens vertrekt Alfons om zichzelf uit te leveren aan zijn vijanden, maar Johan houdt vanop een bootje een oogje in het zeil en kan zo vaststellen waar Alfons opgesloten wordt. Even later komt Willibrord spoorslags Warwick binnengereden, met de melding dat Lorena gegijzeld wordt in de versterkte stad Hereford. Laat dat nu net de plaats zijn waar ook Alfons vastgehouden wordt.
De Rode Roos besluit van dit gelukkig toeval gebruik te maken om 2 vliegen in één klap te slaan en lanceert prompt een grootschalige afval op Hereford. De stad wordt stormenderhand ingenomen, en de ridders dringen al snel door in de diepste kerkers en bevrijden Alfons en Lorena.
De Koningmaker is een album met een - op zijn zachtst gezegd - dunne verhaallijn, maar dat zijn we gewend bij verhalen vanaf pakweg nr 120. De eerste 24 blzn handelen mijns inziens over minder relevante zaken, zoals daar zijn :
* de aanslag op de ijlbode (4 blzn)
* de voorstelling van de nieuwe kok (6blzn !)
* de reis naar Engeland (8 blzn !)
* reis en aankomst in Warwick (6 blzn)
Daarna breekt de hel eindelijk een klein beetje los, en start de Rozenoorlog. Al is het volgens mij een behoorlijk clichématige start met de ontvoering van de jonge maagd Lorena, geeuw.
Ondertussen wordt er zodanig veel geleuterd en gespionneerd dat de eigenlijke 'grote finale' (de bestorming van het stadje Hereford) gewoonweg niet in beeld komt ! We zien het leger van de Rode Roos vertrekken, en vervolgens horen we een poortwachter van Hereford verslag uitbrengen bij Richard van York : ' Een karavaan kooplui kwam bij de stadspoort, maar in de wagens zaten kruisboogschutters die de wachters neerschoten. De vijand is in de stad.' Het volgende moment overrompelen onze vrienden de lokale gevangenis, en bevrijden hun kompanen. Kortom, weinig actie en verhaal in deze strip, maar eerder een reisbrochure doorspekt met gastronomische weetjes.
Overzicht van de tot op de draad versleten cliché's :
De heldhaftige ridder vol zelfopoffering : Dirk de Vere ziet dat zijn liefje Vera in gevaar verkeerd en onvervaard stort hij zich op haar belagers. Ondanks een voltreffer van een zware bijl in zijn borst, hakt hij de rovers in fijne mootjes.
Algemene informatie11/1990
Het kasteel van Horst,Sint-Pieters-Rode.Johan,De rode ridder verblijft nog altijd in Engeland om Graaf Alfons de Beachamps bij te staan in de keiharde Rozenoorlog om de Engelse troon.In de tussentijd deelt Trudo van Wesemael,die is achtergebleven in Horst,de lakens uit in het kasteel,met behulp van Leopold van Ijsendijcke,wiens dochter Vera ook in Engeland verblijft.Op een dag vangen de 2 torenwachters een postduif op.Het blijkt een verslag te zijn van Willibrord,de kroniekschrijver.Onmiddelijk roept Trudo alle kasteelbewoners bij elkaar om de brief voor te lezen.(Frans de smid,kapitein Viktor,Michiel de kok,..)De bewoners komen zo te weten dat Alfons zwaar werd gefolterd door de Witte roos en nu hersteld in zn vestin "Warwick".Willibrord laat ook weten dat hij nog een tijdje in Engeland zal blijven om Alfons verder te helpen.
Plots komt een soldenier binnen in de ridderzaal,hij heeft een vrouw uit Nieuwrode bij die stelt dat ze de duivel heeft gezien op de markt.De vrouw is volledig overstuur,en Trudo beslist om ter plekke een kijkje te gaan nemen.Op de markt aangekomen zit de "vreemdeling" rustig zijn keuze uit de achtergelaten handelswaren te maken.Onmiddelijk stormt Viktor en zn soldaten naar vooren om de schurk in te rekenen.Op zijn beurt werpt die een paar glazen bolletjes die onmiddelijk beginnen te branden en zo de doorgang van de soldeniers belemmert.De vreemdeling,die uitlegt dat hij Magor heet vlucht met grote sprongen weg tussen de marktstalletjes.Maar Trudo en zijn kruisboog zijn thans onafscheidelijk en onmiddelijk wordt Magor in het been getroffen door een pijl,en kort daarop wordt hij ingerekend.Net voor de soldeniers Magor willen wegvoeren,weet die nog te vertellen dat hij de meester is van...de witte duisternis.Terug in Horst gekomen wordt Magor onmiddelijk in de kerker gegooid.Maar tijdens het verhoren van getuigen op de markt,sluit er zich een dichte mist rond het kasteel,niemand kan een steek zien,behalve...Magor,hij kan net zo goed als overdag zien en het valt hem niet moeilijk om te ontsnappen.
Als Magor buiten het kasteel is,weet hij nog te brullen dat iedereen die in de streek woont,zal bibberen en sidderen voor de witte duisternis.Niemand heeft ooit van Magor gehoord,en niemand weet waarom die iets tegen het kasteel of zijn bewoners zou kunnen hebben.Trudo is ten einde raad en hij besluit om de rode ridder te gaan halen.In Warwick aangekomen vertelt hij alles tegen Johan en die besluit om terug naar Brabant te keren als alles in Engeland in't reine is gebracht.Ondertussen komt een groep ruiters terug van Notingham,het blijkt om Sam De Bohuw(Een trouwe aanhanger van de Rode Roos)en enkele andere getrouwen te gaan.Zij weten alfons,johan,dirk,vera en trudo te vertellen dat de koning is vermoord door koningin Isabella en Roger Mortimer,haar minnaar.Die twee waren ook van plan om de jonge prins Edward te doden,maar die kon Sam en zijn ridders nog net redden van de huurdoders van Richard van York en de witte roos.Hierop besluit de Rode Roos om een grootschalige aanval uit te voeren op het kasteel van Nottingham,terwijl in dat kasteel juist op dat moment een drinkgelag wordt gehouden door de ridders van de Witte roos,Richard Van York en zijn kompanen verwachten zich dus nergens aan.
Ondertussen is het leger van de Rode roos genaderd tot bij het park bij het kasteel van Nottingham.Trudo schakelt een torenwachter uit met zijn kruisboog.De weg is nu vrij en de ridders nemen een geheime gang die eerder al ontdekt werd door Sam de Bohuw.Ongemerkt dringen ze door tot in de kerkers,waar de soldeniers van de witte roos het voorbeeld van hun leiders overnamen en ook een drinkgelag houden.In de kerker barst de hel los als de rode ridder de kapitein van de soldeniers een mokerslag verkoopt en zo de aanleiding tot een mini-oorlogje geeft.Even later liggen alle (zatte)soldeniers uitgeteld op de grond en worden de gevangenen bevrijd.Richard van York en co.zijn echter opgeschrikt door het lawaai in de kerkers en in de waan dat de soldeniers de gevangenen er met de zweep van langs geven dalen ze af naar de kerkers om mee te delen in de "pret".Dat bekomt hun echter slecht,want Richard van York,Roger Mortimer,en Isabella worden gevangengenomen en de rest wordt over de kling gejaagd.Terug buiten gekomen ontsnapt Richard van York,Trudo probeert nog te schieten maar Van York kan de pijl ontwijken door net op tijd in de slotgracht te duiken.
Terug in Warwick worden Mortimer en Isabella in een getraliede wagen naar Londen gestuurd,terwijl Johan afscheid neemt van Alfons,Dirk en Vera,die later eveneens naar Horst zullen afreizen.Met een schip gaat de toch verder naar Vlaanderen.Terug in Brabant hangt de mist nog altijd rond het kasteel en omgeving.Plots worden de drie(Willibrord,Trudo,en Johan) opgeschrikt door het gelach van niemand minder dan Magor.Johan vraagt om uitleg,maar Magor zegt alleen maar dat hij iedereen in Horst te gronde gaat richten,want hij wil wraak..hij nodigt de rode ridder uit om bij middernacht naar de vijver van het kasteel te komen,alleen en ongewapend.Johan stemt toe en om middernacht treft hij Magor op de vijver.
Magor legt uit dat hij de vijand is van Hugo Pynnock,die tijdens zijn kruistocht al Magor's bloedverwanten uitroeide.Hij weet ook nog te zeggen dat zijn uur van wraak nabij is en probeert door middel van een draaikolk Johan te verdrinken.Maar Trudo zit ongemerkt verscholen in het riet en vuurt een brandende pijl af,die Magor net niet raakt.Magor is in paniek en vlucht weg,maar bij zijn vlucht laat hij een koker vallen.Johan is intussen diep omlaaggezogen maar weet zich toch te redden,hij ziet nog net een grot onderwater maar heeft te weinig zuurstof om dat verder te onderzoeken.Johan komt ongedeerd terug boven en meteen wordt er een grootschalige zoektocht georganiseerd.Magor is echter spoorloos en tegen de middag wordt de zoektocht stopgezet.De koker blijkt een reisverslag van Hugo Pynnock te bevatten,het is echter zeer onduidelijk en Willibrord krijgt de opdracht om het verslag te ontcijferen.De mist is ondertussen opgetrokken,maar..s'avonds keert de witte duisternis terug,en magor waarschuwt dat hij de omgeving en het kasteel zal blijven laten sidderen en beven voor de witte duisternis...ondertussen wacht in de towergevangenis in Engeland de beul op Roger Mortimer en Isabella...en zijn Alfons,Dirk,en Vera reeds op weg naar Horst.....
Na het recenseren van de recente albums (nr.196/nr.197) had ik nog eens zin om een "goeie ouwe" Horst-episode te bespreken.En ja,dit is weer eens een mooi verhaal,vol mysterie,vol Engels geweld,en met nog eens een doortrapte slechterik die we in volgende verhalen(Sol invictus/De slangengod) ongetwijfeld nog zullen terugzien....
Algemeen besluit over "De witte duisternis" is dat dit album gelukkig weer een stuk beter is dan zijn voorganger "De konigmaker".
Algemene informatie2/1991
Het is lente 1290 in het Hageland, Alfons de Beauchamps, Dirk de Vere en zijn gezellin Vera zijn op weg naar Horst na hun avonturen in Engeland. Wanneer zij het kasteel naderen bemerken ze een dikke witte mist, die het kasteel en zijn omgeving overschaduwt. Vanuit de mist houdt de boosaardige magiër Magor hen in de gaten, belovend dat zij zullen delen in zijn wraak die iedereen te Horst zal treffen.
Bij het binnenkomen van het kasteel wordt meteen duidelijk dat er een verhoogde staat van paraatheid heerst. Wanneer er een pijl rakelings over hun hoofden suist komen de nieuwkomers te weten hoe onhoudbaar het leven op Horst is geworden. Even later neemt de rode ridder het woord in de ridderzaal waar Willibrord net klaar is met het ontcijferen van een manuscript. Een reisverslag van Hugo Pynnock betreffende zijn kruistocht in het verre Syrië.
Een patrouille van Tempeliers , onder leiding van Commandeur Desirius en Hugo Pynnock is op weg door de woestijn wanneer ze plotseling aan de horizon een ijle rooksliert en enkele aaseters bemerken. Bij aankomst bemerken ze een karavaan die beestachtig werd afgeslacht, zonder vrouwen en kinderen te sparen. Tijdens het onderzoek wordt de patrouille plotseling aangevallen door een horde nomaden. In het heetst van de strijd komt Hugo oog in oog te staan met de leider van de nomaden die door hem vakkundig uit het zadel wordt gelicht en gevangen genomen. Zijn naam is …. Magor. Omwille van deze zware slag voor de vijand besluit Hugo verder op te rukken naar het bolwerk van de verzwakte vijand. Daar aangekomen gaan hij en zijn ridders met uitzondering van 1 man, Karel de Montabour, te werk als beesten en slachten in hun woede iedere vijand die ze kunnen vinden af, inclusief vrouwen en kinderen. Tijdens de plundertocht van het bolwerk komt Hugo met zijn ridders in de gewelven van een machtige sekte “ Sol Invictus” de onoverwinnelijke zon. Zo ontdekt hij ook dat deze sekte doet aan mensenoffers. Het volgende ogenblik onthult Magor dat hij een van de hogepriesters van de sekte is en ontketend een immense aardbeving met een vloedgolf tot gevolg waarbij de meeste ridders van Hugo het leven moeten laten. Hugo zelf kreeg een zware steen op het hoofd en raakt buiten bewustzijn.
Na een korte eetpauze wordt het verhaal verder gezet:
Het volgende fragment komt Hugo weer bij kennis aan boord van een schip op volle zee.
Met barstende hoofdpijn maakt hij kennis met Elëia, de dochter van Magor, die hem vertelt dat ze op weg zijn naar zijn geboorteland om daar wraak te nemen op Horst en zijn bewoners voor hetgeen hij gedaan heeft. Hij vertelt Hugo dat hij hem verdoofd heeft en hem zo alle informatie over Horst en zijn bewoners heeft ontrafeld. Terwijl Magor zich een kleiner onopvallender schip aanschaft, vertelt Elëia Hugo dat er nog een ridder de ravage in de tempel heeft overleefd. Karel de Montabour werd ook in leven gelaten omdat hij niet had deelgenomen aan de moorden op de vrouwen en de kinderen.
Op een nacht trekt Magor naar de vijvers van Horst en voert Hugo mee….
Na deze woorden weet de rode ridder waar te zoeken. Hij herinnert zich de spelonk die hij onder water heeft gezien in “De witte duisternis”. Onze vrienden slaan meteen aan het plannen tot er plotseling hoorngeschal weerklinkt vanuit de toren. Het aanmelden van 2 ruiters die voor de poort staan, Karel de Montabour en Commandeur Desirius.
Op vraag van de Horstridders begint Karel aan zijn verhaal…
Zonder paard of voedsel trok Karel de Montabour door de hete woestijn en vocht er met een overgebleven groep bergnomaden een strijd op leven en dood. Net toen het einde nabij was begon opeens de aarde te beven en werden de nomaden van de kaart geveegd door Commandeur Desirius en zijn ruiterij. Deze laatste vertelt hem dat zij de instorting van de tempel hadden gehoord en ijlings teruggekeerd waren, om hem als enige overlevende aan te treffen. Als straf voor het negeren van bevelen werd Commandeur Desirius ontheven uit zijn commando en overgeplaatst naar de commanderij in Hauwaert nabij Horst. Toen ze vernamen dat Magor op weg was naar Vlaanderen met een gevangene hebben ze alles op alles gezet om zo snel mogelijk in Horst te zijn.
In de ochtend duiken een viertal ridders onder leiding van Johan naar de onderaardse spelonk. De ridders komen aan een deur, waarachter Magor, zijn dochter en de gevangene zitten. Als Magor Hugo wil straffen komt zijn dochter tussenbeide, zij weet dat ze maar een aangenomen kind is, een slavin. Bovendien voelt ze liefde voor Hugo, die ze beter heeft leren kennen tijdens de reis. Hugo wordt bevrijd en er wordt onmiddellijk een klopjacht geopend op Magor. Gebruikmakend van zijn witte duisternis weet Magor te ontsnappen, en naarmate hij vordert trekt de witte mist weg.
Intussentijd dalen Willibrord en Trudo de geheime gang af en vinden in Magors laboratorium een soort amulet . Een zon met een slangenlichaam. Elëia vertelt dat het de slangengod is, een god die echt zou bestaan en waar nog steeds mensenoffers aan worden gebracht . Dit, zelfs in eigen land. In de ridderzaal komen alle ridders samen voor Elëia’s uitleg, zij vertelt dat de oude slang beter bekend staat als de duivel en dat Magors sekte een sekte van duivelaanbidders is. Commandeur Desirius stelt voor dit over te laten aan de tempelridders. Iedereen is unaniem akkoord dus trekken de Tempelridders in het volgende verhaal met de hulp van onze vrienden naar Magor’s bolwerk in de Ardennen.
Ondertussen bereidt Magor in de Ardennen zijn slangenkrijgers voor op een nieuwe aanslag op Horst.
Het tweede en misschien wel beste boek in de Magor – trilogie, je komt er heel veel in te weten over de geschiedenis van Hugo Pynnock en het bestaan van een geheime gang in het kasteel van Horst.
Algemene informatie4/1991
Op de binnenplaats van het kasteel van Horst staat een groep ruiters klaar om te vertrekken: Hugo, Alfons, Eleia de syrische prinses, Karel de Montabour en Trudo van Wezemael, en natuurlijk ook Johan, de rode ridder. Ze vertrekken naar de tempelcommanderij van Hauwaert, maar ze worden gevolgd door een groep "bedelmonniken" die eigenlijk handlangers van Magor zijn. Aangekomen in de commanderij worden ze ontvangen door commandeur Desirius. Deze brengt hen op zijn beurt bij de Grootkanselier van de Tempelorde zelf: Frevado. Ze houden krijgsraad en leggen aan elkaar uit wat ze van plan zijn. De reis zal naar Nismes in de ardennen gaan. Daar bevindt zich immers het bolwerk van Magor. Dat willen ze bestormen en vernietigen. De tempeliers zullen de ridders hierbij helpen.
Plots wordt de commanderij aangevallen door de bedelmonniken die vermomd zijn als groene duivelgedrochten en wiens huiden hard zijn als pantser. Hun staf blijkt een zwaard te zijn en ze schakelen al gauw de tempeliers uit die bij de ingang de wacht hielden. De gedrochten dringen door tot de kamer waar Johan en z'n gezellen hun plannen bespreken en in een korte maar hevige strijd waarin de commandeur het leven laat voor dat van de grootmeester worden alle handlangers van Magor over de kling gejaagd. Na nog een klein opstootje met een andere spion die zich als 1 van de nieuwe observanten voordeed, maar die door Chuck K.O wordt geslagen, komt er een grote legermacht op gang die oprukt naar het bolwerk van Magor zelf, nabij Nismes.
Tijdens deze tocht maakt Johan verder kennis met Chuck, en na een minuutje konkelfoezen stelt Johan aan Chuck voor of hij niet zijn nieuwe schildknaap wil worden...en Chuck stemt toe...Terwijl in het bolwerk van Magor,deze vraagt of Vipera en Reptila een slangedans voor hem willen dansen...zodat hij een visioen krijgt over zijn vijanden...hij weet dat ze naderen en hij besluit om de slangegod op te roepen. Deze vertelt hem dat zijn bolwerk omsingeld is en kort daarna weten 2 slangekrijgers de arme man te vertellen dat de kampvuren van de vijand overal in de nacht branden...Nadat de ridders van Horst en de tempeliers van Hauwaert in een hinderlaag lopen, maar die gelukkig overleven, vangt de uiteindelijke eindstrijd aan: Door middel van grote katapulten met brandende projectielen wordt een doorgang geforceerd.
Daarna breken de eerste rijen Tempeliers door de rangen van de slangekrijgers.Terwijl deze de Slangekrijgers ophouden, breken de ridders van Horst diep door in het bolwerk van Magor. Wanneer Magor dit hoort, neemt hij zijn Vipera en Reptilla weer mee naar de slangegod om offers te brengen. Daar aangekomen duwt hij de twee prompt de afrond in. Vipera wordt door het monster verslonden, maar Reptilla kan zich nog vastgrijpen......aan de arm van Johan, de rode ridder! Hij en zijn makkers zijn doorgebroken tot bij Magor en zo kon hij Reptilla nog net redden. Even let niemand op Magor en met een verraderlijke zwaardslag brengt hij Reptilla toch om het leven. Iedereen schaart zich in een kring rond Magor wanneer die tot een strijd op leven en dood wordt uitgedaagd door niemand minder dan...Hugo Pynnock! Na enkele slagen weet die zijn tegenstander al te vellen en Magor tuimelt dodelijk getroffen de diepte in,waar hij te pletter slaat tegen de rotsen. De slagegod ontsteekt in woede en hij beukt tegen de rotswanden waardoor alles dreigt in te storten. Gelukkig weten de tempeliers en de ridders van Horst zich hier net op tijd uit te redden. De dreiging van Magor en de Slangegod is defenitief teniet gedaan en na afscheid genomen te hebben van de tempeliers, keren ze terug naar het kasteel van Horst.
De ontknoping op de voorgaande albums ("Sol invictus" en "De witte duisternis")
Magor is komt in dit verhaal niet zo "slechterik-achtig" over als in bijvoorbeeld "De witte duisternis" , maar gelukkig is er nu weer de "Slangegod" die afschrikt.
Ook een beetje historische informatie op de achtergrond (Baphomet, commanderij Hauwaert,..), en op het einde van de strip nog een hele kolom informatie over Nismes...
Redelijk album met als smaakmakers: slangenkrijger,een reusachtig monster, communicatiemanieren van de tempelorde , en magor voor de derde opeenvolgende keer als slechterik.
Algemene informatie9/1991
Lente 1291, In de ridderzaal van het kasteel van Horst maakt een zenuwachtige Hugo Pynnock zich klaar voor de aankomst van zijn gaste, Elfriede, barones van Rillaar. Zijn gezellig samenzijn blijkt echter van korte duur wanneer er onverwachts bezoek in de kamer staat. De hertog van Brabant, Jan Primus, die naar Horst is gekomen om beroep te doen op zijn vrienden. Dit omdat de vijanden van Brabant op wraak zinnen na hun verpletterende nederlaag tijdens de slag van Woeringen. Hij vertelt onze vrienden dat hij een plan heeft om uit te vissen wat de vijand in zijn schild voert. Hij stelt voor een toernooi te organiseren in Horst. Terwijl Hugo kapitein Victor de instructies geeft voor de avond, maakt de Hertog hiervan gebruik om de mooie Elfriede mee te nemen op een boottochtje in de kasteelvijver. Tot grote ergernis van Hugo Pynnock. Wanneer er tijdens het avondeten weer naijver is om de gunst van Elfriede te winnen wordt het Brabantse kamp toch verdeeld voor het toernooi.
Wanneer Johan en Chuk een week later naar de haven gaan om enkele Engelse vrienden te begroeten worden ze nauwkeurig in de gaten gehouden vanuit de schaduw van een havenloods. Het Engelse schip dat voor anker ligt herbergt enkele oude bekenden zoals Alfons de Beauchamps en Sam de Bohuw alsook een nieuwkomer, Sir Bernice, beter bekend als “The Drunken Knight”.
Op weg naar Horst bemerken onze vrienden een lastwagen die vast zit in de modder, begeleid door een zonderling trio: Hermano, degenslikker en vuurspuwer, Gaetano de acrobaat en Zäina een koorddanseres. Nadat hun wagen is losgetrokken, stelt Alfons aan Johan voor om hen mee te vragen als attractie op het nakende toernooi. Johan vindt dit een goed idee, maar toch zou hij ze graag eerst aan het werk zien. Hetgeen ook gebeurt tijdens het gezamenlijke kamp die avond. Johan staat hen toe mee te gaan naar Horst maar twijfelt toch aan de toevalligheid van hun ontmoeting. De 3 hun vaardigheden kunnen immers dodelijk zijn! Hij vraagt Chuk, zijn schildknaap, dan ook om hen in de gaten te houden.
Op het kasteel van Horst zijn ondertussen 2 vijanden van Hertog Jan toegekomen. Reinald I van Gelder met zijn gade Irmgard en Jan van Gistel met zijn handlangers Baldwienus en Gontran. Terwijl Alfons de Beauchamps zich opfrist, sluipt er een man rond over het dak naar de donjon. Even later komt kapitein Victor in alle stilte onze held halen omdat er een aanslag is gepleegd op Alfons. Als Johan vanuit het raam van Alfons naar buiten kijkt ziet hij de dader over het dak lopen en zet meteen de achtervolging in, wat fataal afloopt voor de dader. Deze blijkt niemand anders te zijn dan Gontran, de knecht van de heer Baldwienus, die onmiddellijk een onderzoek eist. Verderop wordt Jan van Gistel lijkbleek van woede hetgeen onze held niet ontgaat en hem doet speculeren omtrent de opdrachtgever voor de aanslag. Op dit ogenblik vraagt Reinald I het woord. Hij zoekt toenadering betreffende het gebruik van de Brabantse handelsroutes en brengt samen met de Hertog een heildronk op Brabant en Gelderland. Dit stelt hem buiten alle verdenking.
Wanneer onze helden de toernooiweide bezoeken komen ze Jan van Gistel tegen in gezelschap van een onbekende ridder. Als er met hem gelachen wordt zegt hij dat het lachen hun wel zal vergaan als zijn ridder in het strijdperk zal treden. Op een opmerking van Jan Primus gooit de onbekende zijn handschoen naar de Hertog, die wordt opgeraapt door onze held, Johan. In een blinde razernij valt de onbekende Johan aan die ondanks het feit dat hij ongewapend is er toch in slaagt zijn tegenstander uit het zadel te lichten en zo de man zijn identiteit te verhullen. Het is Ghislain de Bars, een gemene woesteling die de regels van het steekspel niet eerbiedigt. Van op een afstand zijn de 3 kunstenmakers getuige van de woede van Van Gistel tegenover zijn ridder, en weten zo dat het tijdens het toernooi aan hen is om de Hertog om te brengen, iets wat wordt opgevangen door de bespiedende Chuk.
Op de dag van het toernooi werpt de besluitloze toernooikoningin haar sluier neer, welke wordt opgeraapt door onze held die haar kleuren zal verdedigen. In de volgende gevechten worden de ridders een voor een uit het zadel gelicht. Te beginnen bij Trudo die door een laffe klap van De Bars de strijd moet staken. De strijd gaat door tot er nog 4 ridders in aanmerking komen voor de overwinning: Ghislain de Bars, De Rode ridder, Hertog Jan I en Hugo Pynnock. Het volgende gevecht is tussen Johan en de Bars, waarbij onze held de onsportiviteit van de ridder zwaar bestraft. Hugo moet echter de overwinning laten aan de Hertog die denkt dat hij het toernooi reeds gewonnen heeft. Echter in zijn laatste treffen, de kamp met Johan, wordt hij ook uit het zadel gelicht zodat het onze held is die de toernooizege binnenhaald.
Tijdens de lauwering van de overwinnaar wordt er plots een luide alarmkreet gegeven, de kunstenmakers zijn in actie gekomen en stichten brand om iedereen af te leiden van de aanslag. Toch worden ze allemaal uitgeschakeld, Trudo neemt de koorddanseres onder handen met zijn trouwe kruisboog. Chuk vangt Gaetano op met een speer en Hugo zet Hermano het zwaard op de keel.
Het verhaal eindigt als de Hertog en Hugo hun vriendschap bezegelen door de belofte er nooit meer een vrouw tussen te laten komen. Doch veel kans zullen ze niet meer hebben want onze geliefde toernooikoningin heeft zich reeds genesteld in de armen van haar toernooiridder.
Een interessante benadering die de dreiging in Brabant weerspiegelt, enkele jaren na de slag van Woeringen. Toch is het een redelijk zwak verhaal dat boordevol zit met de nodige clichés. Het enige verassende is dat er hier concurrentie ontstaat omwille van een vrouw tussen de ridders. Maar het einde is zoals het spreekwoord luidt: “wanneer 2 honden vechten om een been gaat er een 3e mee heen!”.
Algemene informatie9/1991
Reeds verscheidene dagen geselt een gure herfststorm de muren van Horsts meestertoren. Met lede ogen ziet de net teruggekeerde Trudo van Wesemael toe hoe Hugo Pynnock, burchtheer van het stoere slot, zijn vergetelheid zoekt in de drank. Zijn relatie met Eleïa, een Syrische prinses die hij tijdens de voorgaande albums leerde kennen, liep immers op de klippen en tot overmaat van ramp moet hij al dagenlang de steun van zijn goede vrienden missen: Willibrord is voor werkzaamheden naar Leuven getrokken, Karel de Mountabour is teruggekeerd naar Luxemburg en Johan en Chuk vergezellen Alfons de Beauchamp naar Warwick, zijn landgoed in Engeland.
In de hoop Hugo van de drank te houden, stelt onze goede Trudo voor om de Engelandvaarders achterna te reizen. Uiteraard ziet onze gesnorde kasteelheer een verzetje wel zitten en hij brengt alles in orde om met een gerust gemoed te vertrekken. Zodra de ochtend gloort, verlaten twee ruiters het kasteel van Horst.
Na een ommetje langs boer Coene, die in ruil voor vrije toegang tot de wijnkelder van Horst een oogje in het zeil zal houden, trekken Hugo en Trudo naar Damme. Trudo, die al in Warwick is geweest, vermoedt immers dat Johan en zijn gezellen van daaruit proberen in te schepen naar Engeland, maar het is niet zeker dat ze daar een reisklaar schip zullen vinden. Met een beetje geluk kunnen ze nog voor de overtocht bijgehaald worden. Diep in de nacht bereiken beide ruiters Damme.
Ondanks het late uur brandt er in de herberg nog licht en slechts het geluid van de ruziënde stemmen daarbinnen doorbreekt de anders zo donkere stilte. In de hoop snel een spoor van hun vrienden te vinden, gaan Hugo en Trudo op de herberg af. Net voor hij binnengaat, werpt Hugo nog snel een blik op de vaargeul: een sinister zwart schip ligt buitengaats voor anker en zet net een sloep uit naar het vaste land.
Vanaf het ogenblik dat beide ridders de gelagzaal betreden, valt er een onbehaaglijke stilte tussen het kroegende gezelschap. De aanwezige zeelui onthalen de nieuwkomers met boze blikken.
Een kort gesprekje met de dienster, Veerle, maakt echter al veel duidelijk: twee dagen ervoor maakten de drinkgrage vissers het iets te bont en kregen het aan de stok met enkele andere vreemdelingen. Eén ervan was een in het roodgekleurde ridder. Trudo’s vermoeden wordt bevestigd: hun vrienden vonden niet onmiddellijk een schip en liggen nog maar één dag voor. Helaas is de kans groot dat ook de twee achtervolgers enkele dagen oponthoud zullen hebben gezien er de komende dagen geen enkel ander schip nog naar Engeland zal varen.
Het tweetal overlegt hoe ze eventueel sneller aan een schip kunnen geraken als plotseling de deur wordt opgeworpen.
Vier forsgebouwde kerels, die Hugo daarnet met hun roeiboot zag naderen, komen de gelagzaal binnen. Wanneer de zeebonken echter Veerle lastig vallen en de ongewapende vissers met het zwaard te lijf willen gaan, kunnen Hugo en Trudo niet langer blijven toezien en doen ruim hun zegje in de daaropvolgende kroegenoorlog.
Met het verschijnen van Origas, de kapitein van de voor ankerliggende ‘Zwarte Arend’, stopt het gevecht al even snel als het begon. Origas wijst zijn mannen, die soms ‘iets’ te ruw te werk gaan, terecht en vergoedt de schade en ongemakken met klinkende munt. De twee ridders wil hij echter niet op zijn schip meenemen, gezien hij naar het zuiden vaart. Hierop verlaat de mysterieuze kapitein de herberg en verdwijnt in de nacht.
Toch geraken de ridders aan een schip: uit dank voor de geboden hulp en het vermijden van een bloedbad stellen de vissers voor om hun redders naar Engeland te varen. Nog diezelfde ochtend kiest een vissersboot het ruime sop met twee ridders aan boord.
Het schip is nog maar net doorheen de vaargeul of er blaast een fikse bries, de voorbode van een komende storm, doorheen de zeilen. Net voor Trudo en Hugo naar het veiligere ruim trekken, wordt hun aandacht door iets op volle zee getrokken. Ondanks de duisternis van de snel opkomende bewolking kan men duidelijk de contouren van een schip dat naar het noorden vaart, zien. Met alle zeilen bij en recht voor de wind warend, ploegt de ‘Zwarte Arend’ zich een weg doorheen de kolkende golven.
Terwijl het tweetal zich zorgen maakt om hun vrienden, die misschien ook in de storm hangen, dobbert de ‘Lukas’, het schip dat Johan en zijn gezelschap daags voordien namen, haast stuurloos rond. Naast hun drieën voert het schip ook nog Patrick de Ross, een jonge Schotse ridder, en Geertrui, een Brabantse freule, naar Engeland.
Helaas kreeg men de dag voordien ook al een storm te verduren, waarbij het schip averij opliep, en ligt men volledig uit koers. Bovendien bespeurt het schippersoog van de kapitein reeds de komst van de nieuwe storm waar Trudo en Hugo al in verzeild zijn. Het weinige zeil dat de master nog heeft, wordt bijgezet om de storm voor te blijven en een veilig onderkomen in Ramsgate te vinden. Een riskante onderneming tussen de klippen waarbij men slechts op het baken van North Foreland kan afgaan om te slagen.
De naderende storm heeft de hele lucht al dreigend donker gekleurd als aan de horizon een rood schijnsel over de golven flikkert. Vol blijdschap roept de kapitein dat ze het baken gevonden hebben en laat de ‘Lukas’ langzaam de steven wenden. Doch, opeens bemerkt Johan in het halfduister dat de zee wit ziet van het schuim. De branding slaat stuk op verraderlijke klippen en de ‘Lukas’ nadert ze eveneens zeer snel…
In een wanhoopspoging wordt het roer helemaal omgegooid; tegen beter weten in en tevergeefs. Op hetzelfde moment weerklinkt een doordringend gekraak en de flank van het schip wordt in zijn volle lengte opengereten.
Door de harde slag maakt het schip zwaar slagzij. Verscheidene opvarenden worden overboord geslingerd, onder hen ook Alfons de Beauchamp. Johan ziet hoe de sterke stroming de ridder naar onderen trekt en springt hem zonder aarzelen achterna.
Terwijl de Rode Ridder zijn vriend zoekt, is men op de ‘Lukas’ begonnen met evacueren. Het is immers onvermijdelijk dat het schip gaat kapseizen. De overige aanwezigen verzamelen zich op het dek dat als maar schuiner helt. Geertrui, de Brabantse freule, ontbreekt echter. Met enkele sprongen verlaat Patrick het dek en stormt het ruim van het zinkende schip binnen. Daar blijkt dat de Brabantse door een klemmende deur in haar eigen kajuit opgesloten zit. Met een zware balk als stormram en wat brute kracht kan Patrick de deur gauw forceren.
Door het binnenstromende water wordt het schip steeds sneller naar de diepte gezogen. Langzaam begint de ‘Lukas’ te kantelen en wordt de uitgang langs de trappen voor het tweetal afgesloten. Een stoutmoedige poging om langs een bres in de scheepswand naar buiten te zwemmen lukt wonderwel. Volledig buiten adem, maar veilig en wel bereiken Patrick en Geertrui de oppervlakte, waar in het schijnsel van het verraderlijke lichtbaken ook de overige opvarenden nog steeds voor hun leven vechten.
Intussen zwemt ook Johan nog steeds rond op zoek naar Alfons. Even komt de gedachte boven dat zijn goede vriend misschien verdronken is. Daarna wordt hij door een zware golf met het hoofd tegen de klippen gesmakt en verkeert de redder plots zelf in nood. Bewusteloos zinkt de Rode Ridder weg in het ijskoude water; tot opeens een reddende hand zich naar hem uitstrekt. Gelukkig zag Chuk het gebeuren en zwom zijn meester achterna.
Langzaam komt Johan bij bewustzijn, maar door de hoofdwonde verliest hij veel bloed. Bovendien weet hij nog steeds niet of Alfons het er wel levend vanaf heeft gebracht.
Een hele poos later en volledig uitgeput bereiken ridder en schildknaap de oever.
Op het strand aangekomen, is al snel duidelijk waar het misleidende licht vandaan kwam: een houten toren met bovenaan een brandend vuur.
Na Johans hoofd verbonden te hebben, trekt Chuk op verkenning. De toren is uiteraard een geschikte uitkijkpost en van daarop bemerkt Chuk dat er net nog twee overlevenden aan wal spoelen: Patrick en Geertrui.
Terwijl hij hun aandacht trekt, ziet Johan vanop zee minder aangenaam gezelschap naderen: in het vage schijnsel van de dageraad ontwaart men een schip aan de horizon. De ‘Zwarte Arend’ nadert de kust.
Al snel wordt het Johan duidelijk. De namaakvuurtoren is niet het werk van strandjutters, zoals hij eerst dacht, maar van zeerovers! Ze lokken schepen naar de klippen, zodat ze nadien zonder slag of stoot de aangespoelde lading kunnen aanslaan. Hoewel het schip zich vanwege het lage tij nog niet te dichtbij waagt, is het duidelijk dat het lot van de vier bezegeld is. Zulke heerschappen laten geen bezwarende getuigen achter.
Langzaam beginnen de wrakstukken van de ‘Lukas’ aan te spoelen. Plots bemerkt Geertrui een deel van haar eigendom in het water. Hierbij blijkt de Schotse ridder ook nog een gentleman te zijn en haalt zonder morren de doorweekte, doch nog bruikbare punthoed uit het water. Ook Chuk ziet een deel van zijn eigendom uit zee terugkeren. Vol blijdschap waadt hij zich tussen de klippen naar zijn reiskoffer. Opeens doet hij een afschuwelijke ontdekking en roept het vol afgrijzen uit. De toegesnelde Patrick is even in de waan dat de, net dood teruggevonden, kapitein van de ‘Lukas’ in de touwen van zijn eigen schip verstrikt raakte. De Rode Ridder bemerkt echter de knopen in het touw. Hun kapitein werd vastgebonden en aan zijn lot overgelaten! Terwijl het viertal vol wrok naar het voor ankerliggende schip kijkt, ziet men hoe de ‘Zwarte Arend’ een sloep te water laat…
Moeizaam komt de sloep in de branding vooruit. Tenslotte waden de vier zeelui behoedzaam naar de wal. De Rode Ridder heeft zich intussen met zijn gezellen tussen de rotsen verstopt en luistert het gesprek van de piraten af. Als ook zij de kapitein van de ‘Lukas’ terugvinden, raken ze voldaan van walgelijk plezier en ebt de laatste twijfel weg: de zeelui zijn wel degelijk verantwoordelijk voor de afgrijselijke dood van de kapitein én het valse baken waardoor het schip met man en muis verging.
Als bovendien blijkt dat de rovers het vuur opnieuw in gereedheid willen brengen om nog meer schepen op de klippen te lokken, is voor Patrick de maat vol. Samen met Chuk, die uit zijn reiskoffer zijn oude strijdknots haalde, maakt hij het viertal duidelijk dat er met hen niet te spotten valt.
Op de ‘Zwarte Arend’ heeft men het gevecht echter opgemerkt en het schip waadt tussen de klippen door naar de kant. Johans schildknaap heeft zich nog maar net van zijn laatste belager verlost of de sinistere kapitein Origas trekt al aan het hoofd van de overige bemanningsleden aan wal. In allerijl trekken onze vrienden zich terug op de best verdedigbare plaats in de omgeving: de vuurtoren.
Onmiddellijk stuurt Origas zijn manschappen naar voren om de toren te bestormen. Ze hebben de vuurtoren immers nodig om de volgende nacht opnieuw schepen te lokken. Nog steeds aan het hoofd gewond, kan Johan niet meestrijden, maar al snel blijkt echter dat Chuk en Patrick op hun voordelige stelling van geen wijken weten. In zijn woede beveelt Origas de toren dan maar om te hakken. Wanneer de bezetters daarop de vuurpot op de toren afbreken en hun belegeraars met stenen bekogelen, zit er echter niets anders op dan terug te trekken.
Verbitterd om de onnodige verliezen, laten de zeerovers onze vrienden met rust en beginnen de aangespoelde kostbaarheden in hun schip te laden. Terwijl de bende druk bezig is, doet Chuk een riskante uitbraak. Hij verlaat de toren om zijn reiskoffer, voorzien van proviand, en extra wapens te halen.
Origas had zo’n durf voorzien. De sluipschutters, die hij vanachter de rotsen de vuurtoren in het oog liet houden, krijgen echter niet eens de kans om aan te spannen. De doodgewaande Alfons de Beauchamp wist toch de kust te bereiken en grijpt met enkele zwaardslagen doeltreffend in.
Het wapengekletter heeft echter ook de aandacht van de strandschuimende rovers getrokken en de woeste bende is reeds zo dicht genaderd dat het te laat is om het veilige onderkomen van de vuurtoren op te zoeken. Met pijl en boog worden de eerste belagers afgehouden, maar daarna is een gewapend treffen onvermijdelijk. Johan, vanwege zijn hoofdwonde nog steeds niet in staat om te vechten, moet machteloos toekijken. Patrick daarentegen springt van op hun provisoire schuilplaats naar beneden en biedt Chuk en Alfons, die net op het punt stonden overrompeld te worden, de nodige steun om stand te houden.
Origas heeft echter zijn laatste troefkaart nog niet gespeeld. Nu er drie krijgers zijn en ze bovendien niet van het voordeel van de stelling genieten, wilt hij toch een doorbraak forceren en werpt Kojiro in de strijd.
Johan herkent een doder natuurlijk van mijlen ver en spoort zijn vrienden aan zich terug te trekken; helaas te laat: de samoerai, die niet voor niets Origas persoonlijke lijfwacht is, stormt al brullend op de ridders af…
De steeds strijdvaardige Patrick springt echter naar voren en kan verscheidene slagen afweren, maar wordt dan door Kojiro’s dolk zwaar in de schouder getroffen. Chuk kan nog net de knarsetandende Alfons tegenhouden van een woeste, maar roekeloze aanval op de samoerai. Johans schildknaap ziet immers in dat de Japanse krijger iedereen de baas is, omdat hij het voordeel heeft met zowel katana als dolk te vechten. Slechts iemand die net als hem met twee wapens vecht, maakt een kans!
In geen tijd draait hij het handvat van zijn strijdknots los en haalt uit de holle steel ook een dolk tevoorschijn. Opnieuw gaat Kojiro tot de aanval over…!
Wanneer Chuk zijn aanvallen pareert en op zijn beurt enkele snelle tegenaanvallen uitvoert, lijkt de schildknaap de bloeddorstige samoerai aan te kunnen. Plots maakt de Japanner met een acrobatische sprong en plaatst zich zo opeens buiten Chuks bereik. Vastberaden zwaait hij zijn dolk omhoog voor een dodelijke worp…
Chuks wapen, dat hij naar eigen ontwerp in Toledo liet vervaardigen, heeft echter nog een verrassing in petto. Instinctmatig bemerkt de oude zeebonk het gevaar, richt vliegensvlug zijn eigen dolk en duwt op een verborgen veer. Het volgende ogenblik schiet het lemmet van Chuks dolk door de lucht en valt Origas lijfwacht dood neer. Wit van woede brult de kapitein een bevel en trekt met zijn resterende bemanning terug naar het schip.
Terwijl de vuurtorenbezetters heel wat bij te praten hebben met hun verdronkengewaande vriend maakt men op de Zwarte Arend de balans op: de helft heeft de ontmoeting met de vechtjassen niet overleefd en de overigen likken morrend hun wonden. Hoewel men de vuurtoren nodig heeft om andere schepen te lokken, beseft Origas dat ook een nieuwe bestorming weinig kans op slagen heeft, gezien de bezetters nog steeds het voordeel van de hoogte hebben. ’s Avonds, bij het hoge tij, hebben ze dat echter niet. Geduldig wacht de kapitein op het opkomende water en de neergaande zon.
Schip en vuurtoren baden in een zachte rode gloed. In de schemering van een mogelijks laatste warme herfstzon maakt men zich ook op de toren op om zich niet zomaar gewonnen te geven. Drie strijders -Chuk, Alfons en een bijna herstelde Johan- waden zich door het water naar de Zwarte Arend. Minuten later schrikt de scheepswacht op als het onbestuurbare vaartuig met doorgesneden ankertouwen door de vloed wordt meegevoerd en langzaam maar zeker naar de klippen wenkt. Met toenemende snelheid schiet de Zwarte Arend af op de klippen en het volgende ogenblik weerklinkt een vreselijke slag. De Zwarte Arend wordt door de scherpe rotsen aan stukken gereten, waarbij de meeste opvarenden door het wrak worden meegezogen naar de diepte. Origas zwemt echter ongemerkt naar de kust, waar reeds een half dozijn zeerovers ongedeerd het vaste land hebben bereikt, maar op Johan, Chuk en Alfons stuiten.
Vanop het platform, dat omspoeld wordt door de stijgende golven van de vloed, volgen Geertrui en de nog gewonde Patrick met spanning het strijdtafereel.
Even geruisloos als verrassend duikt achter hun rug de sinistere kaperskapitein uit de golven op. Geertrui zal hem als gijzelaarster dienen; Patrick is hem van geen nut meer. Net op het ogenblik dat Origas zijn blaaspijp wilt aanleggen, maakt hij een schrille kreet en ploft met een pijl tussen de schouderbladen in zee.
Sprakeloos van verwondering ziet het tweetal een kleine boot die op het platform afstevend. Daags voordien is de vissersboot de Zwarte Arend gevolgd en konden Hugo en Trudo het hele gebeuren van ver in zee volgen; klaar om in te grijpen. Terwijl Trudo zijn dodelijk schot op Origas loste, baande Hugo zich in het als maar woester worden water een weg naar het strijdtoneel. Terwijl Patrick en Geertrui in de visserboot geholpen worden, heeft de Burchtheer van Horst de kust reeds bereikt en werpt zich onmiddellijk in de strijd.
In het schuimende water van de Noordzee heeft het beslissende gevecht plaats. De zeerovers weren zich dapper, maar tot de laatste man worden ze over de kling gejaagd. Bloed kleurt de branding rood…
Nog maar net is de warmte van de strijd voorbij of Trudo schreeuwt al vanuit het schip om voort te maken: een nieuwe storm steekt op! Zodra Johan en zijn gezellen aan boord zijn, zet het schip koers naar open zee, waar het met een gunstige wind de storm kan voorblijven. Uiteindelijk vindt in de kajuit een hartelijk weerzien plaats. Beide groepen vertellen over hun zopas beleefd avontuur en men bespreekt de plannen voor de rest van de reis. Vergezeld van Patrick zal Geertrui eindelijk haar zuster Godelieve in Engeland bezoeken, Alfons trekt verder naar zijn landgoed Warwick en Johan zal met zijn vrienden terug naar Horst trekken om daar volledig te herstellen. Zonder verdere problemen bereikt het viertal terug op Vlaamse bodem.
Johan en zijn vrienden rijden kort daarom de poort van hun thuishaven door, waar hen een ander, spannend avontuur wacht.
Kijk toch eens aan: wat een verhaal!! Vijf getypte bladzijden, wat ongetwijfeld mijn langste recensie is; én dan heb ik nog de indruk dat ik meer dan de helft niet heb vermeld.
Zoveel valt er in dit verhaal te gebeuren!! Zoveel dat ik tijdens het schrijven haast moedeloos werd van het werk en door de magie van het album toch genoot van elke keer dat ik een prent herlas.
Kortom: een prachtverhaal van begin tot einde dat bovendien nog ongelooflijk knap getekend en sfeervol ingekleurd is.
Algemene informatie10/1991
De Rode Ridder verlaat zijn vrienden in Horst omdat hij achtervolgd wordt door een droom. Zijn vrienden (Trudo, Hugo en Chuk) weten van niets en besluiten zijn kamer te doorzoeken. Daar merken ze een zwarte vlinder op. In een poging om de vlinder te vangen wordt Trudo gebeten. Hierdoor wordt deze zwaar ziek.
Ondertussen volgt Johan, die eigenlijk nog niet weet waar hij naartoe wil, diezelfde vlinder. Algauw komt hij terecht in een storm en uiteindelijk wordt hij opgeslokt door een windhoos. Wanneer hij weer vaste grond onder de voeten voelt, is hij terechtgekomen in een moerasgebied. Daar ontmoet hij twee andere krijgers: Gunnar de viking uit het noorden en Nisibis, een amazone uit het zuiden. Beiden worden ook begeleid door een zwarte vlinder. Samen trekken ze verder door het moeras tot ze belaagd worden door een gevleugelde slang. Het monster wordt verslagen en hierbij krijgen ze hulp van een vierde personnage, niemand minder dan Yorimoto, de samoerai! Ook hij is geroepen door een vlinder.
Samen trekken ze verder op weg naar een citadel aan de rand van het moeras. Vooraleer ze echter binnentreden, valt het viertal in een hinderlaag van een menseneterslegioen. Er komt een bloedbad van, maar uiteindelijk overwint het viertal. Op de poort van de citadel loert echter nog een gevaar: een wormenvis. Ook deze wordt overwonnen. Uiteindelijk ontmoeten Johan en zijn vrienden de meester van de citadel: Uzurias. Hij heeft uit de vier windstreken de beste krijgers gehaald met het doel weerstand te bieden tegen Andramelech, één van de hellevorsten. De citadel is immers niets anders dan een poort tot de hel en Andramelech wordt gevangen gehouden in een waterput. Andramelech is van plan zijn bondgenoten op de citadel af te sturen en deze te vernietigen. Deze bondgenoten zijn de paddekrijgers. In grote drommen stevenen ze op de citadel af. De vier krijgers moeten de citadel verdedigen totdat Uzurias zijn geheim wapen klaar heeft: in de kelders kweekt hij doodsvlinders, maar deze zijn nog niet uitgekomen.
De rest van het verhaal geeft de spannende strijd weer tussen de paddekrijgers en het viertal, dat alles in het werk stelt om niet ten onder te gaan tegen de overmacht. Net als het hen teveel wordt, komen de doodsvlinders dood en vernieling zaaien. Andramelech is verslagen en blijft gevangen. Nu kunnen Nisibis, Yorimoto, Gunnar en Johan terugkeren naar hun land. Johan krijgt van Uzurias ook een tegengif dat Trudo zal genezen.
Ik vind dit album één van de beste albums die gemaakt zijn in de RR-reeks. Het verhaal zit goed in elkaar, en de spanning wordt geleidelijk aan opgebouwd. Bovendien komt ook Yorimoto - een van de smaakmakers van de reeks - terug. Zijn ninja-technieken zaaien dood en vernieling onder de paddekrijgers. Ook de tegenstrever, Andramelech (heerser van de binnenwateren van de hel) is nieuw. Het hoeft dus niet altijd Bahaal te zijn die als superslechterik naar voor treedt. Tenslotte vond ik het geen slechte zaak dat er eens geen 'pseudo-romance' tussen de RR en één of andere schone uitgewerkt wordt. Het is gewoon een fantastisch verhaal dat aanzet tot lezen, kortom een aanrader.
Algemene informatie2/1992
In de slotkapel van het kasteel van Horst bevinden zich naast Johan De Rode Rider enkele bekende gezichten uit de voorgaande albums: de heren van Vorst, waaronder Hugo, Trudo en Alfons. De nieuwe kapelaan, William, vertelt na de dienst over de Tuin van Eden. Ondanks de ernst waarmee de kapelaan zijn verhaal brengt, lachen de heren zijn 'fantasiewereld' weg. Hun gesprek wordt verstoord wanneer 2 bezoekers de kamer betreden: een wonderdokter en een beeldschone vrouw, Shandar en Malicia. Shandar stelt zich voor als een uiterst bekwame sterrenwichelaar en kruidengeneeskundige, Malicia kan handlezen. Hoewel Johan de twee niet vertrouwd, stelt Hugo, of te wel heer Pynnock, de twee gasten voor om een middagmaal te nuttigen in het kasteel.
Tijdens het diner komt de Tuin van Eden weer aanbod. Shandar neemt het gesprek over en laat weten meer te weten over deze tuin der lusten. Volgens de wichelaar moet je in het bezit zijn van een sleutel om de tuin te kunnen betreden waar je vervolgens het absolute geluk kan ervaren. William, de kapelaan, heeft het over ketterse praat maar Shandar praat verder. Het is geen werkelijke plaats maar een toestand van de geest. Hij is zelfs bereid toegang te vershaffen tot de tuin, weliswaar tegen een hoge prijs. Malicia probeert de heren van hun goede bedoelingen te overtuigen, neemt de hand van Johan en leest de palm van zijn hand. Ook Hugo en Trudo krijgen een dergelijke behandeling. Malicia weet van alle drie de heren juiste informatie te lezen. Vervolgens nodigt Shandar Johan en Hugo uit een proefreis te maken naar de Tuin van Eden. Het volstaat van een legendarische appel te eten, afkomstig uit de Tuin zelf. Johan en Hugo gaan akkoord wanneer Shandar en Malicia zelf ook van de appel eten en hen vergezellen naar de Tuin. Ondanks Williams protest gaat het experiment door en onder doodse stilte eten de vier kandidaten hun stuk appel op. Na een schouwspel van kleuren komt Johan terug bij en neemt hij de tijd om zijn nieuwe omgeving waar te nemen. Een aards paradijs rondom hem, met watervallen, prachtige oude gebouwen en natuurlijke pracht. Sprakeloos dwaalt Johan in de hem totaal onbekende omgeving rond, op zoek naar zijn reisgezellen. Uit één van de vele prachtige struiken die de Tuin kent komt een enorme leeuw te voorschijn. Johan staat klaar voor de fatale slag met zijn waard maar dan komt de leeuw tegen hem aanstrijken als een grote poes. Dan komt Hugo te voorschijn met een reuzenslang rond zijn nek. Beide heren lijken overtuigd van het bestaan van de Tuin.
Enkele tientallen meters verder staan Shandar en Malicia de twee op te wachten en met hun vieren wandelen ze naar een centraal gelegen torenhuis, omringd door de meest prachtige bloemen. Hugo plukt er een voor zijn vriend Trudo die een passie heeft voor bloemen. In het gebouw staan beeldschone bloemenmeisjes de bezoekers op te wachten. Maar voor de heren kennis kunnen maken wil Shandar Johan en Hugo de tempel van aam laten zijn. Sprakeloos betrede Johan en Hugo een imposant paleis met hoge marmeren zuilen. Opnieuw bevinden zich in het gebouw mooie vrouwen: sluierdanseressen met weinig om het lijf om de gasten te bekoren. Er klinkt adembenemende muziek doorheen de tempel en het ruikt er naar de meest verrukkelijke spijzen en dranken. Hugo is totaal overtuigd en dan... de wanden van het tempelgebouw lijken doorzichtig te worden terwijl de betoverende muziek stilaan wegsterft. De vier bevinden zich weer in het kasteel van Horst waar hun vrienden in spanning op hen aan het wachten waren. Johan en Hugo vertellen wat hen overkomen is, over de prachtige omgeving en mooi gezelschap. De bloem die Hugo voor Trudo heeft meegenomen overtuigd hem om ook naar de tuin af te reizen. De schatkist wordt er bij gehaald Shandar overhandigt vier appels aan de heren van Horst. Johan, Hugo en Trudo nemen elk één alleen Alfons weigert en dus gaat de laatste appel naar Chuk, Johan's trouwe dienaar. Shandar en Malicia maken zich klaar te vertrekken met enkele zakken vol goudstukken maar Alfons staat er op de twee in het kasteel te houden tot zijn vier vrienden weer heelhuids zijn teruggekeerd. Zodra ze de mysterieuze vruchten hebben opgegeten, strekken de vier mannen zich uit op een rustbank, vergezeld met hun wapens, in een afgesloten kamer.
Net als zijn vrienden verliest Johan alle besef van tijd en ruimte. Het volgende ogenblik bevindt de Rode Ridder zich opnieuw in de paradijselijke Tuin van Eden. Al snel vinden ze elkaar weer en wandelen naar het paleis. Enkel Trudo wenst eerst de talrijke bloemen buiten het gebouw te onderzoeken. Drie bloemenmeisjes staan de heren op te wachten en met blozende kaken volgen ze de bekoorlijke dames. In een prachtige marmeren zaal wordt er hen allerlei lekkers aangeboden. Hugo en Chuk maken het hen gemakkelijk terwijl Johan op zoek gaat naar Trudo. Hij verlaat het paleis en belandt in een uitgestrekt park, vervuld met het gekweel van talrijke zangvogels. Plots blijft de ridder stokstijf staan. Uit het struikgewas doemt plots een okerkleurige schicht op en verdwijnt dan overijld in het woud. Het was de leeuw die Johan eerder al tegen kwam. Het beest leek op de vlucht en Johan trekt verder de Tuin in. Een loodzwaar, verstikkend gevoel maakt zich plotseling van Johan meester en de ridder wankelt op zijn benen. Het zweet breekt hem uit! Hij voelt een boosaardige aanwezigheid... het kwaad in zijn meest elementaire vorm. De Rode Ridder rukt zich los uit zijn verdoving en zijn zwaard bliksemt te voorschuin. Een onbekende, innerlijke stem beveelt Johan zich om te draaien en terug te keren maar met de inzet van al zijn wilskracht overwint de ridder zijn panische angst. Het volgende ogenblik stormt hij brullend naar het struikgewas. Blindelings maait Johan met zijn zwaard om zich heen maar hij ontmoet geen enkelijke weerstand en uiteindelijk verlaat de kwaadaardige geest Johan's lichaam. Op verscheidene plaatsen is het struikgewas met witachtige, kleverige slijmslierten bedekt. De ridder vermoed dat hij en zijn vrienden in groot gevaar zijn en rent terug naar het paleis om hulp. Niet lang nadien duikt Trudo op, zonder wapens of uitrusting in het gezelschap van enkele bloemenmeisjes. Johan doet zijn verhaal maar Trudo lijkt zich van geen gevaar bewust en wil rust. Johan hoopt dat Hugo en Chuk wel naar hem willen luisteren. In de tempel wacht Johan echter een nieuwe verrassing: Chuk krijgt een rugmassage en Hugo ligt in het zwembad; beide in mooi gezelschap. Johan brengt verslag uit van z'n tocht maar ook hij wilt niet luisteren. En de Rode Ridder verdwijnt weer in het oerwoud, waar een mysterieuze bedreiging over de Tuin van Eden zweeft!
Spoedig vindt Johan de plek terug waar hij de geheimzinnige witte slierten ontdekte. Hij merkt een geur op die eigen is aan een slangenkuil. Even later staat Johan oog in oog met een kolossale woudreus: de legendarische Levensboom uit de Bijbel; de boom der kennis van goed en kwaad! In de dichte lover glinsteren goudgele vruchten. Het zijn de appels die hen naar hier brachten en meteen weet Johan waarom ze van Shandar en Malicia niet te ver in de Tuin mochten dwalen. Wanneer Johan zich dichterbij waagt, bemerkt hij een opening tussen de wortels van de levensboom. Stap voor stap nadert Johan de toegang tot de geheimzinnige spelonk. De ruimte tussen de wortels van de levensboom blijkt uitgestrekter dan verwacht en vormen een echte doolhof. De walgelijke geur wordt sterker. Op de grond liggen doodshoofden. Bezoekers van de Tuin van Eden? Met verdubbelde waakzaamheid zet Johan zijn zoektocht vort. Bij elke pas lijkt de schemering dichter en wordt het benauwder. Plots wordt de ridder verrast door een vrouwenstem: het is Malicia! In tegenstelling tot Johan en zijn kameraden heeft ze geen appels nodig om met haar geest naar de Tuin af te reizen. Ze wil hem een voorstel doen, met het oog nog meer bezoekers naar de Tuin te lokken. Indien Johan Malicia bij staat zal de Tuin van eden zijn nieuwe thuis worden maar Johan ziet het gevaar tijdig in: Malicia is de slang uit het Paradijs! Ze dreigt Trudo, Hugo en Chuk om te brengen indien hij niet ingaat op haar voorstel maar Johan heeft bedenktijd nodig. Als de duisternis valt verwacht Malicia een definitief antwoord. het is de ridder gelukt tijd te winnen en keert terug aar het paleis om zijn vrienden te waarschuwen.
Opeens suist een pijl door het struikgewas in Johans richting. Een hert, bloedend uit een wond aan de hals, springt uit gebladerte tevoorschijn. Opeens komen nog meer pijlen aanvliegen en Johan wordt getroffen. Bliksemsnel duikt de ridder weg in de dichtte plantengroei. Jagers die door Shandar eerder naar de tuin werden gebracht naderen Johans positie. Hij schat de situatie goed in en weet één van de jagers te verrassen. Hij neemt de man zijn boog en pijlen mee en zet zijn tocht verder naar het paleis. Even later komt het tot een confrontatie en Johan komt al snel in gevaar. Hij rent voor zijn leven terwijl pijlen en speren hem rond de oren vliegen. Een jager heeft Johan in het vizier maar wordt tijdig uitgeschakeld door Trudo, die met zijn kruisboog Johan te hulp komt aangelopen. Ook Chuk en Hugo zijn erbij. In een kort maar verwoed gevecht moeten de verraste jagers het onderspit delven en al spoedig vluchten ze smadelijk weg met hun gewonde kornuiten. De drie heren, die eerder enkel oog hadden voor de geneugten van de Tuin, kwamen terug bij hun verstand na het drinken van Hagelanderwijn die ze meebrachten. Johan brengt zijn vrienden op de hoogte van zijn ontmoeting met Malicia bij de levensboom. De vier mannen keren onverwijld naar de tempel van Adam terug om daar de verraderlijke slang strijdvaardig op te wachten.
Het wordt nacht. De bloemenmeisjes helpen bij het opwerpen van barricades. Het is nu afwachten tot de duivel in slangengedaante zich vertoont. Eén van de meisjes komt met een mogelijke oplossing: de Bewaker van de poort, een schitterend wezen van licht en zeer machtig, wil hen misschien helpen. Johan laat de bloemenmeisjes alvast de Bewaker halen, terwijl de hij en de andere heren van Horst de slang proberen op te houden. Aan de achterzijde van de tempel verheft zich een monsterachtige gedaante in het maanlicht. Uit de opengesperde bek van de slang vloeit hetzelfde witte slijm dat Johan eerder op het spoor van het monster bracht. De mannen zetten de aanval in maar hun projectiele hebben geen effect op het harde pantser. Het monster veranderd van gedaante... zij wordt Malicia. Het volgende ogenblik beeft de aarde en is het alsof de bliksem aan Malicia's voeten inslaat. Sissend van woede draait ze zich om. De engel met het vlammende zwaard, de bewaker van de Tuin, is aangekomen. Achtervolgd door flitsende explosies vlucht Malicia ijlings weg uit de tempelomgeving. Dan keert hij zich tot Johan en laat hem weten dat de Tuin niet langer bestemd is voor stervelingen. Plotseling hebben Johan en zijn gezellen het gevoel door de ruimte te suizen. Dan komen zij, duizelig en versuft, weer bij in de ridderzaal van Horst waar Alfons de wacht houdt. Een dreunende klap in het aangrenzende vertrek waar Malicia en Shandar zich bevinden doet de muren trillen. Wanneer Johan en de andere ridders binnen stromen treffen ze Shandars levensloze lichaam aan. Malicia lijkt letterlijk in rook opgegaan te zijn. Treurend kijken de ridders op hun avontuur terug, wetende dat ze de aardige dames uit de Tuin nooit meer zullen zien. Maar dan haalt Johan een appel te voorschijn...
De Rode Ridder is vaak op zijn best wanneer Karel Biddeloo een bestaand, gekend onderwerp aansnijdt en er zijn eigen draai aan geeft, zoals bij dit album. Wie kent het Bijbel verhaal over de Tuin van Ede niet waarin Adem en Eva de hoofdrol spelen. Een heleboel van de verhaalelement komen ook in dit Rode Ridder album voor, weliswaar vaak in een andere functie of betekenis, zoals de verboden vrucht die in de Rode Ridder versie onze helden naar de Tuin brengt. Het is niet hier waar Biddeloo ons weet te verrassen, door gekende of verwachte elementen anders te laten uitdraaien.
Vanaf dat Johan de tuin betreedt komt het avontuurlijke verhaal pas echt op gang. De eerste pagina’s die zich afspelen in Horst dienen enkel als opwarmertje en tonen ons nogmaals de Heren van Horst. Gelukkig is deze introductie tot een minimum beperkt en verlekkert met wat humor en personageontwikkeling. Hoewel het aantal actiescènes op één hand te tellen is, krijgt het verhaal voornamelijk door de mysterieuze omgeving en personages een uitermate avontuurlijk tintje.
Het album zal voornamelijk omwille van de technische aspecten herinnerd worden. De sfeervolle omgevingen zijn op een zeer levensechte wijze getekend door Biddeloo en werkelijk prachtig ingekleurd door Vantieghem. Prenten als 15/16 zijn pareltjes. Voornamelijk de inkleuring maakt de Tuin van Eden geloofwaardig. Een leuk detail: het album eindigt met een halve pagina.
Algemene informatie7/1992
Terwijl ze door een gure herfstwind gegeseld worden, galopperen drie ruiters in volle vaart achter een wilde ever aan. Het zijn Trudo Van Wezemael, Hugo Pynnock, en Johan de Rode Ridder. De ever is hun al de hele dag te snel af. De ridders besluiten nog een laatste poging te doen en zetten de achtervolging in. Al gauw komt Trudo ten val door een woeste aanval van het zwijn, en even nadat Johan en Hugo verspreid zijn geraakt, valt de ever ook Johan aan. Een verschrikkelijke klap en een luid gehinnik van de pijn is het gevolg. Wanneer Hugo op het hinniken afkomt, ziet hij alleen maar het gewonde paard van Johan. Die laatste is nergens meer te bespeuren.
Het is te donker om Johan te zoeken en Hugo keert met Johans paard terug naar Horst. Wanneer Johan bijkomt is hij zijn geheugen kwijt en ook alle besef van richting. Hij gaat tenslotte op een lichtschijnsel in de verte af, maar komt hierbij opnieuw zwaar ten val. Een man komt op hem af, en aan zijn voeten krioelt het gras van de ratten. Plotseling klinkt er een luid geschreeuw, en de man vlucht halsoverkop weg. Johan wordt door de bewoners van de nederzetting(vandaar kwam dat lichtschijnsel) meegenomen. Tegen de avond komt Johan bij en de bewoners van de nederzetting vertellen hem over de vloek van de rattenkoning(de man die johan zag, was de rattenkoning, yrrim genaamd) die hun kinderen in ratten veranderde door ze mee te lokken met zijn panfluit. Er zijn nog 3 kinderen over. De kinderen van Yon de houthakker, die algeruime tijd spoorloos is. De vrouw van Yon is Alwina, de aanvoerster van de groep die jacht maakt op yrrim en ook de moeder van de 3 kinderen is.
Plots weerklinken de fluittonen van de rattenkoning weer! Het is Yrrim die de laatste 3 kinderen met zich mee probeert te lokken. Die zijn gelukkig veilig in het huis van Bhop, de wapenmaker. En hoe zwaargewond de rode ridder ook is, hij staat toch op aan het raam te gaan kijken wat er gaande is. Ondertussen vuurde Bhop een grote,stalen pijl af met zijn geheime wapen:een langeafstandskruisboog. De pijl miste doel en de rattenkoning vlucht terug naar zijn schuilplaats, waar hij verblijft en waar hij ook Yon gevangenhoudt. Hij drinkt ook telkens een serum dat immuun maakt voor alle ziekten en wonden. Johan was al op de been en volgde de sporen en hij weet nu waar de schuilplaats van de rattenkoning is. Hij besluit met een list de rattenkoning te vangen en de vloek te verbreken.
Het plan is om de 3 kinderen bewust te laten meegaan met de rattenkoning.(terwijl hun oren dichtgestopt zijn met gesmolten was.) Johan zal terwijl naar de schuilplaats van de rattenkoning gaan, en wanneer die arriveert, hem proberen te raken met een ZILVEREN pijl. Alles loopt zoals het moet lopen en De rattenkoning verklapt zelfs nog dat door het vernietigen van zijn panfluit, de vloek verbroken kan worden. Nadat de rattenkoning uiteindelijk opgepeuzeld wordt door de ratten zelf, trapt Johan de panfluit stuk en bevrijd hij Yon. Daarna stort de schuilplaats in, maar iedereen geraakt nog op tijd weg. Alleen Johan krijgt nog een dikke brok aarde tegen het hoofd, maar juist hierdoor krijgt hij zijn geheugen terug.De vloek is verbroken en iedereen viert feest! Maar: s'anderendaags komt een hele horde ruiters in volle vaart naar de nederzetting gereden, Bhop neemt onmiddelijk zijn wapen bij de hand, maar de rode ridder stelt hem gerust. Het zijn Alfons de Beauchamp, Trudo van Wezemael, Hugo Pynnock, Chuck zijn schildknaap, en kapitein viktor en zijn soldeniers, die allen geleid werden door het paard van de rode ridder, dat zijn meester immers nooit in de steek laat....
Redelijk verhaal waarin de rode ridder eindelijk in een gevecht vernederd wordt.....door een zwijn! Yrrim is de slechterik van dienst die uiteindelijk alleen maar verslagen kan worden....door de eenvoudige list van Johan. Toch zijn de bewoners van de nederzetting niet erg snugger als ze zelfs nog niet op het idee komen om maar gewoon gesmolten was te gebruiken tegen de schelle fluittonen van Yrrim, de rattenkoning.
