Back to Top

Albums

143. Prins der Duisternis

Algemene informatie

Tekeningen

Inkting

Scenario

Inkleuring

Uitgiftedatum

9/1992

Samenvatting

Het is winter in Horst. Een bijtende vorst houdt het Hageland in een kille greep. De kasteelvijver is dichtgevroren en de bewoners van het kasteel zitten voor het haardvuur. Na een van Hugo’s beroemde driftbuien, waarin hij warme wijn morst over kapitein Victor, bespreken onze vrienden hun nakende bezoek aan de donkerhoeve, waar Boer Coene geplaagd wordt door een bende stropers. Na de beraadslaging gaan de meeste ridders slapen. Slechts de rode ridder blijft alleen achter voor het haardvuur. Tijdens een moment van vermoeidheid krijgt onze held een visioen, een waarschuwing over een gevecht tussen licht en duisternis. Opeens schrikt onze held! In het haardvuur tekent zich plots een schim af, de beeltenis van Bahaal, de Prins der duisternis. Bahaal vertelt Johan dat hij wraak zal nemen op hem en de andere bewoners van Horst en dat hij het kasteel zal kenmerken om middernacht. Als antwoord hakt de rode ridder toe in de vlammen in een vlaag van woede. Het volgende ogenblik stormen zijn vrienden reeds het vertrek binnen met getrokken zwaarden en vragen hem om uitleg te geven over het kabaal.

Johan geeft kapitein Victor de orders de wacht te verdubbelen en het kasteel in hoge staat van paraatheid te houden, waarna hij zijn relaas begint te doen aan zijn vrienden.
Hij vertelt hen over zijn avonturen in verre streken en dat hij in de strijd tegen het onrecht reeds meermaals de degens kruiste met Bahaal, de prins der duisternis! Hij vertelt hen over de verschijning in het haardvuur alsook over de bedreiging tegenover Horst en zijn bewoners. Vetrder vraagt hij zijn vrienden het kasteel te verlaten, wat ze natuurlijk afslaan. Ze steunen elkaar door dik en dun en begeven zich zodoende naar de rand van de kasteelvijver om daar de omgeving beter te kunnen overzien.

Plots vliegt het ijs aan stukken en een grote barst in het ijs trekt verder in de richting van het kasteel. Even later volgt er een enorme dreunende slag en met een donderend gekraak barst de torenmuur over de volle lengte uit elkaar. Onmiddellijk bestijgen de ridders de toren om te kijken naar eventuele gewonden, die er als bij wonder niet zijn. In de drukte werpt Johan even een blik naar buiten en bemerkt iets, maar verkiest er toch over te zwijgen, om paniek te voorkomen.

De volgende ochtend beginnen de soldeniers, onder leiding van kapitein Victor de toren te herstellen. Ondertussen besluiten onze vrienden naar de hoeve van boer Coene te gaan, waar de weg hen wordt versperd door verscheidene soldeniers. Terwijl Hugo, Alfons en Trudo de strijd aanbinden met de soldeniers, besluiten Johan en Chuk de donkerhoeve binnen te dringen langs de achterzijde. Terwijl zij naar binnen sluipen, gaan de anderen reeds naar binnen door de voordeur en bemerken daar dat boer Coene en zijn zoons gekneveld zijn in het gezelschap van een beul en een ander onbekend heerschap. Marianus Gillis, de drossaard van Brabant. Dit kan hij ook staven aan de hand van een perkament bezegeld door hertog Jan I. Volgens bepaalde getuigen die hij niet wenst te noemen zou Coene een grote som goudstukken verduisteren. De boer verklaart deze niet te hebben. Na deze woorden zwiert Johan de drossaard en zijn trawanten buiten.

De drossaard en zijn soldeniers vervoegen hun reis naar de herberg van Nieuwrode, waar zijn gaste reeds op hem wacht in een kamer bovenaan de trap. Wanneer hij de kamer met getrokken dolk binnenkomt wordt deze hem op een vrij hardhandige manier ontnomen en vervolgens op zijn eigen keel gezet. Er volgt een korte conversatie betreffende zijn mislukking en hij krijgt van zijn opdrachtgever de belofte om over extra manschappen te kunnen beschikken. Opeens rukt Marianus de kap van zijn opdrachtgever af en onthult diens gelaat. Onze oude bekende, Demoniah, is terug. Wanneer de drossaard de kamer verlaat voelt hij plots een koude luchtstroom en hij ziet en grote zwarte vogel wegvliegen. Onmiddellijk beseft hij met welke machten hij zich ingelaten heeft, en weet dat een weg terug niet meer mogelijk is.

In tussentijd ronden onze vrienden hun gesprek met boer Coene af en rijden terug richting Horst, waar de soldeniers de barst in de meestertoren hebben hersteld.
William de nieuwe kapelaan is aangekomen en vermoedt dat het allemaal te maken heeft met de extreme vrieskou, tot dat Johan hem vertelt uit het raam te kijken en hij het teken van Bahaal ook opmerkt in het ijs. Deze is zo onder de indruk dat hij besluit in de morgen meteen te vertrekken naar Leuven om daar het symbool op te zoeken in de geheime archieven.

In de morgen weerklinkt het alarmsignaal in het kasteel wanneer blijkt dat de barst terug verschenen is en ditmaal reikt tot het dak van de toren. Op datzelfde ogenblik werpt in de donkerhoeve boer Coene een blik naar buiten en bemerkt er een hele bende ongure types die op teken van hun leider vertrekken in de richting van de herberg van Nieuwrode.
Boer Coene en zijn zonen zijn hen op een veilige afstand gevolgd en sluipen naar de herberg om het gesprek af te luisteren. Zo vangt boer Coene in een gesprek tussen de drossaard en de huurlingenleider Raniar op dat de bewoners van Horst het zullen ontgelden en dat ze een schrikbewind willen veroorzaken in de streek om zo via een opstand de hertog van Brabant ten val te brengen. Tijdens het bespieden sluipt de beul echter dichterbij en grijpt Coene in een wurggreep. Dit is echter niet naar de boer zijn zin en deze kan zich dan ook in alle woede losrukken. Wanneer zijn zoons hem vervoegen is het pleit snel beslecht. Haastig springen de boer en zijn zonen in het zadel en rijden gejaagd door de wind naar Horst.

Gillis en Raniar, gevolgd door een aantal huursoldaten, vermomd als soldeniers, verlaten de herberg en vervolgen hun weg naar de Galgenberg te Holsbeek, alwaar Demoniah de 2 mannen ontbiedt om samen hun aanval op Horst te plannen.

Op het zelfde moment komen boer Coene en zijn zonen met een belangrijke mededeling aan op het kasteel van Horst. Ondertussen is ook de kapelaan teruggekeerd van zijn trip naar Leuven. Op bevel van de rode ridder wordt er verzameld in de ridderzaal, waar boer Coene zijn relaas doet over hetgeen hij heeft gehoord bij de herberg van Nieuwrode. De kapelaan komt ook aan het woord en weet dat volgens het “ Lexicon der Demonen” het teken toebehoort aan Bahaal, de prins der duisternis, groothertog van de hel en opperaanvoerder van de helse legioenen. Het is hier dat Johan zijn vrienden inlicht over Galaxa, de fee van het licht. Een figuur waarin de kapelaan niet schijnt te geloven.

De volgende morgen nadert er een grote groep mensen het kasteel. Het betreft vluchtelingen die op de vlucht zijn voor de drossaard en zijn mannen. Dit kunnen onze helden maar moeilijk aanvaarden. Momenteel staan ze echter nog machteloos. Het tij keert echter wanneer Galaxa verschijnt aan Johan en hem waarschuwt voor de dreiging die zich aan de rand van de vijver bevindt. Daar staan Gillis en zijn mannen reeds te wachten om de aanval in te zetten.

Terwijl de ridders van Horst zich klaarmaken voor de verdediging , trekt Galaxa naar de galgenberg om zich te meten met Demoniah.

Wanneer de huurlingen in actie komen vlak voor zonsopgang, weten ze niet wat hen overkomt. Ze worden aangevallen langs alle kanten en worden op Gillis en de beul na allen over de kling gejaagd. Wanneer de 2 overlevenden aankomen op de Galgenberg, komen ze oog in oog te staan met Demoniah. Wanneer deze hen wil straffen komt Galaxa tussenbeide en gooit een glinsterend projectiel naar Demoniah. Dit ontploft in een verblindend licht waardoor Gillis en de beul op slag verblind zijn. Demoniah kon echter ontkomen door uit het raam te springen en zich te veranderen in een vogel. Galaxa keert terug naar Horst om afscheid te nemen van onze held en om de Lente in het land te leiden.

Een heel goed boek! Zeker omdat je hier meer te weten komt over de titels en domeinen die Bahaal draagt. Tevens vind ik het heel origineel hoe Karel Biddeloo de barst in de meestertoren van Horst heeft benaderd in zijn boek.

144. De alchemist

Algemene informatie

Tekeningen

Scenario

Inkleuring

Uitgiftedatum

11/1992

Samenvatting

Leuven,1292. In de burcht van hertog Jan op de Keizersberg,zijn de wachposten extra alert. Magister Mordecai is immers gearriveerd in Leuven.Hij is hier in het grootste geheim "iets" aan het bespreken met de hertog.Het blijkt om het maken van goud te gaan,die de schatkist van hertog Jan moet versterken,omdat die platzak is.Dokus en Gurth,2 soldeniers,houden de wacht voor de vertrekken van hertog Jan.Maar ze worden bespioneerd door een gestalte in een kapmantel.Door middel van een gifpijltje uit de blaaspijp van de onbekende worden Dokus en Gurth snel gedood.Het blijkt te gaan om Demoniah,de duivelin in mensengedaante.Na een half uur afgeluisterd te hebben,komt ze op haar dooie gemak de kamer binnen en bedreigt de magister met haar blaaspijp.Gelukkig komt de wachtmeester nog even checken of alles in orde is en hij rukt de mantel van de duivelin af.

Daarna valt hij levenloos neer met een gifpijltje in de hals.Een horde soldeniers achtervolgt haar maar uiteindelijk ontsnapt ze door uit het raam te springen en zich te veranderen in een zwarte roofvogel.De magister is woedend omdat hij bedreigd werd en omdat Jan zijn beloften niet nakwam.Hij beloofde immers absolute bescherming.Dit zet de hertog aan het denken en hij beweert een oplossing te hebben.Hij ontbied Johan,de rode ridder,die de magister mee zal nemen naar Horst.In de tussentijd brengt de magister de nacht maar op zijn gemak in de diepste kerker van de burcht door,daar zal Demoniah hem immers niet zoeken.De volgende morgen vertrekken de rode ridder en de magister in alle vroegte en in alle stilte om geen argwaan te wekken.Het escorte waar normaal gezien de magister in had moeten zitten vertrekt iets vroeger dan de twee.Eenmaal ze uit Leuven zijn,komt er plots een sterke afdeling ruiters naar de twee gereden.

De magister slaat in paniek,en kraait:"Johan!Johan!Trek je zwaard,dat zal ze afschrikken"Maar het blijkt te gaan om ridders van Horst zelf,die de twee tegemoet kwamen rijden:Hugo Pynnock,de burchtheer,Alfons de Beauchamps,Trudo van Wezemael,Chuck de schildknaap van Johan,en kapitein Viktor en zijn soldeniers.Ondertussen gebeurt de aanslag op de reiswagen(escorte) van de magister door handlangers van Demoniah.De soldeniers van de Hertog worden gedood,maar de reiswagen met het kostbare materiaal is NIET beschadigd.Demoniah doorzoekt de reiswagen,want ze is op zoek naar het kostbare toverboek eibon,haar belangrijkste doel,maar vind het niet.Gelukkig had de magister dit bij.De ridders van Horst hoorden de knal en ze stormen op de handlangers van de duivelin af en maken die onschadelijk.Demoniah valt eerst nog de magister aan,in de hoop Eibon te pakken te krijgen.Dit mislukt en ze ontsnapt door middel van haar gedaanteverandering in de roofvogel.Hierop gaat het gezelschap naar Horst.Bij het zien van de burcht begint de magister de burcht af te keuren.("De burcht van Hertog Jan is toch groter hoor,daar heb ik meer plaats")

Bij het horen van deze woorden moet Johan Hugo Pynnock tegenhouden,die ondertussen rood ziet van woede.De magister neemt zijn intrek in de ronde toren,en Hugo besluit om hem een "bezoekje" te brengen.Wanneer de magister en Hugo zich in de ridderzaal bij de anderen voegen,merkt Johan onmiddelijk op:'Hugo,moest je de arme man zo aanpakken,hij ziet lijkwit?!!"Dan kan er eindelijk gegeten worden.Na een klein akkefietje over de befaamde hagelander,die door de magister een "godendrank" genoemd word,houden de ridders krijgsraad.Terwijl vliegt de zwarte roofvogel weer rond de "donjon"(meestertoren),en met zijn grote klauwen ontvoert hij Gurth,1 van de soldeniers.Hierop vertrekt iedereen om Gurth te gaan zoeken,en even later vinden ze hem in het riet naast de vijver,vrijwel ongedeerd.Helaas ziet niemand de bebloede hand die elders boven het riet uitsteekt....

Gurth blijkt Demoniah te zijn,en hij/zij gaat op zoek naar de magister en dat verdomd kostbare boek:Eibon.Gelukkig doorzag Johan deze list weer eens en "Gurth"(Demoniah dus..) wordt ontmaskerd en in de boeien geslagen.Hertog Jan wordt gewaarschuwd en deze komt de volgende dag aan,en ook de kapelaan,William komt op bezoek.Wanneer William ziet hoe Demoniah hem overtuigd dat ze echt een duivelin is,(Ze steekt haar hand door een brandende toorts) vertrekt deze in vliegende vaart terug naar Leuven(om zijn oversten te raadplegen).Dan zoekt de hertog op zijn beurt samen met kapitein Viktor de duivelin op.Deze dwingt hen om in haar ogen te kijken,en ze worden gehypnotiseerd.In de gedaante van Herog Jan,rijd Demoniah weg uit Horst.Johan blijkt de enige te zijn die Demoniah in haar ware gedaante herkent en hij zet onmiddelijk de achtervolging in .

Terwijl wordt ook de hertog en Viktor,die al achter de tralies werden gezet door Demoniah,bevrijdt.Demoniah wordt echter niet meer gevat en de ridders keren terug naar Horst,vastbesloten om waakzaam te blijven en de magister voldoende bescherming te bieden zodat die in alle rust kan voortwerken aan zijn opdracht voor de hertog...maar s'nachts sluipt Demoniah weer rond de burcht en zweert om de magister(en dan vooral het boek Eibon) te pakken te krijgen... En reken maar dat Demoniah woord houdt in de volgende episode:"De steen der wijzen".........wordt vervolgd..

Spannend verhaal met voldoende humor(De opmerkingen van de magister/de woedeuitspattingen van Hugo op de magister)
Het blijkt een meesterlijke zet van de heer Biddeloo om Demoniah weer te gebruiken als slechterik.Ze speelt haar rol weer eens schitterend..zelfs de hertog is onder de indruk van deze mooie duivelin...wordt ongetwijfeld vervolgt...

145. De steen der wijzen

Algemene informatie

Tekeningen

Scenario

Inkleuring

Uitgiftedatum

2/1993

Samenvatting

Het Kasteel van Horst,1292,het hageland. Het belooft een snikhete zomer te worden,maar in de ronde toren van het kasteel is de alchemist nog altijd als bezeten aan het werk. Plots doet er zich een ontploffing voor. Kapitein Viktor en zijn mannen zijn voor de vierde keer die week paraat en stormen alweer eens de trappen op met emmers water. Hierbij raakt de magister zelf ook kletsnat en deze begint onmiddelijk een scheldtirade op de soldeniers. De man dreigt moorden te begaan maar,plots wordt hij door een sterke hand achteruit getrokken. Het is de rode ridder die met de glimlach op het gezicht de magister kalmeert. Na een kort gesprek met de man ziet Johan een kist vol goud,en de magister legt hem uit dat hij ondertussen al aan iets nieuws werkt: De steen der wijzen,de droom van elke alchemist.

Maar,de man is overspannen en hij wil eens naar buiten... Johan stelt voor om een rit door zijn geliefde hageland te maken en kort daarop verlaten drie (ietwat) vermomde ruiters het kasteel: De alchemist,De rode ridder (weliswaar in een andere outfit: "uit schrik voor demoniah") en ook Hugo Pynnock. De rest ligt nog in bed. Na een stevige rit besluiten ze om het middagmaal te gebruiken in de herberg van Nieuwrode. Daar raken ze slaags met ridders van Hertog Jan die omgekocht werden door Demoniah,de 3 mannen zijn hopeloos in de minderheid,maar ze worden geholpen door Ridder Godfried,een ijzersterke kolos die driftig werd toen zijn bord soep door een handlanger van Demoniah op de grond werd geworpen. Hij maakt appelmoes van de vijanden van onze 3 vrienden,maar steeds meer handlangers van de duivelin stormen binnen,tot opeens: de deur vliegt open en met een vriendelijke groet ("mag ik mij voorstellen: Trudo van Wezemael !") wordt de dichtstbijzijnde vijand onschadelijk gemaakt door een vuistslag van Trudo.

Daarna volgen nog meer beleefde ridders ("Alfons de beauchamp,mag ik u mijn hand aanbieden?") en natuurlijk ook Chuck ("En ik ben Chuck... de strijdknots is mijn wapen!") en na een paar minuten wordt het weer stil in de herberg. Alle vijanden liggen K. O op de grond. Het gezelschap reist terug naar Horst (Godfried is er ook bij want hij heeft defenitief de zijde van de ridders van Horst gekozen,) maar Demoniah kan door middel van haar blaaspijp de kolos doden en vlucht daarna weg. Vastbesloten om Godfried terug levend te maken,beveelt de magister om het lichaam van de ridder mee te nemen en te bewaren in de ijskelder van Horst. Ook wordt de Kapelaan van Leuven (William) naar Horst geroepen om als assistent de magister bij te staan,en Hertog Jan is ook in aantocht als plots een onweer losbarst... de bliksem slaat in naast de Hertog en William de kapelaan... wanneer de rook is opgetrokken zien ze plots een dreigende gestalte: het blijkt een geharnaste doodskop te zijn die de hertog met een schrikwekkende strijdbijl aanvalt... de hertog is echter voor geen kleintje vervaard,maar wordt uit het zadel geworpen... de geharnaste vijand heft de bijl om de hertog de genadeslag te geven als plots het doffe gedreun van naderende hoefslagen weerklinkt... het is alsof een vurige schicht het regengordijn doorklieft en het volgende ogenblik valt de geharnaste gruwel onthoofd neer... het is Johan,de rode ridder,die de hertog tegemoet kwam rijden en zo zijn leven redde.

Terug in Horst zoekt de hertog eerst zijn gevangen ridders op... het blijkt dat ze op hun borst het teken van Bahaal hebben staan... deze ridders hadden hun ziel aan de prins der duisternis verkocht... de gevangen worden op aandringen van Kapelaan William uitgeleverd aan de kapittelraad van Leuven. Ondertussen is de magister bezig met het tot leven wekken van Godfried(Dit gaat door middel van de steen der wijzen,dat eigenlijk een stof is. Hiermee kan men mensen terug tot leven wekken. ) . Hij is zo druk bezig dat hij de opmerking van de kapelaan nauwelijks hoort... ("Wie met Leven en Dood speelt,zal branden in het hellevuur... ) Maar het loopt fout af,eenmaal terug in leven,blijkt dat Godfrieds geest nu slecht is omdat het gif van Demoniah nog in zijn lichaam zit. De ridders van Horst werken hem met veel moeite het raam uit,waardoor hij in de vijver valt en zo met Demoniah meegaat. De ridders doorzoeken het moeras op zoek naar Godfried,maar hij wordt niet gevonden.

De rode ridder heeft echter door dat Godfried met Demoniah is meegegaan en hij gaat direct opzoek naar haar schuilplaats. Wanneer Godfried en Demoniah aankomen bij haar schuilplaats,roept ze Bahaal op maar die is woest omdat Demoniah weer niet in haar opdracht geslaagd is om de steen der wijzen te bemachtigen. Bahaal vind dat Demoniah haar tijd verspilt met Godfried,en prompt schiet hij een loeiende steekvlam uit zijn hand naar de kolos. Al wat er van Godfried over is,is een hoopje as... De rode ridder was getuige van dit vreselijke schouwspel en is woest om de dood van Godfried!Hij stormt naar voren en geholpen door het Hemelse licht van Galaxa verjaagt hij Bahaal en Demoniah. Daarop doorzoekt de rode ridder de schuilplaats van de duivelin en vindt tussen wat wapens en mondvoorraad... een zwarte spiegel.

Terug in Horst legt hij alles uit en toont hij de zwarte spiegel,die zeer kostbaar blijkt te zijn. Vastbesloten om deze spiegel te onderzoeken,gaan de twee weer (koortsachtig) aan het werk. De ridders van Horst spreken af dat ze het gevaar van Demoniah zullen blijven het hoofd bieden,en de magister en de kapelaan koste wat het kost beschermen. Ook Demoniah is nu strijdlustiger dan ooit... ze is woedend omdat haar spiegel is gestolen. (Nu heeft ze 3 doelen voor ogen: Het boek Eibon,de zwarte spiegel,en... de steen der wijzen. ) Dit alles komt tot een bloedige eindstrijd in het derde en laatste deel van deze trilogie: "De zwarte spiegel" wordt nogmaals vervolgt ........

Heerlijk album met lekker veel fantasy. Demoniah,Bahaal en Galaxa(alhoewel je haar niet ziet) zijn weer op hun best! Spannend,griezelig (De onthoofde geharnaste met de bijl) Een van de beste Horst-verhalen ...

146. De zwarte spiegel

Algemene informatie

Tekeningen

Scenario

Inkleuring

Uitgiftedatum

6/1993

Samenvatting

Sint-Pieters-Rode, najaar 1292.

Na de bloedstollende gebeurtenissen in "De alchemist" en "De steen der wijzen" , zijn magister Mordecai en zijn assistent, kapelaan William nog altijd als bezeten aan het werk in de ronde toren van het Kasteel van Horst. Ze werkten weer eens de hele nacht doorgewerkt en nu is dan toch eindelijk het Magnus Opus (Grote werk) bijna voltooid: De steen der wijzen vormt geen geheimen meer voor de 2 zwoegers. Plots wordt er op de deur geklopt, het is Johan de rode ridder die vraagt of de 2 nu nog altijd geen honger hebben...Daar hebben ze echter geen tijd voor want in hun mengbeker stijgt een glinsterend ovalen voorwerp omhoog: Het ei der Filosofen!

Het wordt stukgeslaan met een zilveren hamer en dan verschijnt uiteindelijk de Steen der wijzen: een rood poeder dat in staat is alles te vervolmaken waarmee het in aanraking komt. Dit geheim wordt snel opgeborgen en dan wordt er nog even met de Zwarte spiegel, die Johan vondt in de schuilplaats van Demoniah geexperimenteerd, plots verschijnt Demoniah in de spiegel en zij zweert nogmaals de ondergang van de Horst-bewoners. Buiten aan het raam luisterde Demoniah de hele santekraam af en vooraleer ze verdwijnt in de gedaante van de roofvogel, werpt ze nog een handvol dunne staafjes in de kasteelvijver. Deze "staafjes" worden echter zienderogen groter en groeien uit tot bloeddorstige watermonsters. Johan bemerkt het gevaar en al snel staat het hele kasteel in rep en roer: " Horst wordt aangevallen! " Johan legt uit dat hij grote luchtbellen zag uiteenspatten op de waterspiegel van de vijver en de ridders van Horst lopen naar de kelders.

Daar begeeft de muur het en onmiddelijk wordt een der soldeniers opgeslokt door een vreselijk monster met een bepantserde huid. Snel lopen ze weg van de kelders en barricaderen de kelderdeur. In de hoop dat de alchemist raad weet, loopt Alfons de Beauchamp naar de ronde toren. Te laat, want Demoniah drong door een raam het ronde torentje binnen en Alfons wordt door een dolk in de hartstreek getroffen en de magister en de kapelaan worden door glazen bolletjes van gas onschadelijk gemaakt. Demoniah heeft eindelijk wat ze wil: Het boek Eibon. Ze verandert zich terug in de roofvogel en even later vliegt ze krijsend spottend over de kasteelmuren weg. Maar, Trudo waakt en zijn pijl treft het boek en rukt het weg uit de klauwen van de zwarte roofvogel. Die is echter razend en ze stort naar beneden en treft Trudo met haar klauwen in de ogen, daarna vliegt ze weg. Ondertussen zijn ook de watermonsters bij de deur geraakt maar ze worden weggeruimt door kokende olie. Dan duikt Johan nog in de kasteelvijver om het boek Eibon eruit te vissen. Dit lukt, maar er is nog een monster dat braafjes in de vijver bleef en nu Johan aanvalt. Het monster sleurt de rode ridder mee en hij dreigt te stikken, maar wanneer de nood het hoogst is, is Chuck, Johans schildknaap nabij!

Hij treft het monster met zijn speer in het oog en zo ontkomen Johan en Chuck, maar er is nog een tweede monster en net wanneer Johan en Chuck uit het water zijn, komt ook het monster boven maar wordt uit de weg geruimd door een gloeiende vuurbal die werd afgevuurd door een ballista die Hugo nog vond in een stoffige hoek van de wapenzaal. Het gevaar is geweken en de ridders zoeken daarna Alfons en Trudo op, die buiten levensgevaar zijn, door de Steen der wijzen te gebruiken. Ze hebben echter veel rust nodig en die kunnen ze niet vinden in Horst. De magister en Johan besluiten om Trudo en Alfons naar Leuven te brengen. In het paleis van Hertog Jan kunnen ze goed herstellen in alle rust. Kort daarop vertrekt een reiswagen met Alfons en Trudo aan boord, vergezelt door een horde soldeniers naar Leuven. Intussen zat Demoniah niet stil, zij wekte Godfried, de ridder die tot de Horst-ridders wou toetreden maar daarna een handlanger van Demoniah werd door het gif in zijn bloed van Demoniahs pijl, terug uit de doden. Ondertussen maken Johan en Hugo een tocht door het Hageland om aanwijzingen omtrent Demoniah en haar activiteiten te vinden. Ook proberen ze nieuwe bondgenoten te vinden want omdat Trudo en Alfons er niet zijn, blijven er niet veel meer over om Horst te verdedigen.

Plots bemerken de twee een groep ridders in witte gewaden die halt houden op een teken van de leider. Het zijn tempeliers uit de commanderij van Hauwaert die gekomen zijn om Demoniah samen met de ridders van Horst te helpen bestrijden. Samen rijden ze verder het Hageland in. Ondertussen krijgen de kapelaan en de magister, die de zwarte spiegel probeerden te ontleden, waanbeelden uit de hel: ze worden krankzinnig. Kapitein Viktor hoort het gebrul van de mannen wel, maar grijpt niet in omdat de bevelen formeel waren: niet ingrijpen. De twee onderzoekers wouden met rust gelaten worden. Intussen is de escorte bijna in Leuven als ze worden overvallen door Demoniahs handlangers. De soldaten weren zich dapper en zijn aan de winnende hand als plots Godfried opduikt, hij kreeg van Demoniah de opdracht om de soldeniers van Horst te vernietigen. Hij neemt een zware boomtak als wapen en veegt....Demoniahs handlangers van de kaart!

Daarna komt ook nog eens Johan en de tempeliers ter plaatse en het pleit is gauw beslecht. Demoniah kiest het hazenpad en Godfried legt uit dat het gif in zijn bloed is verdwenen en dat hij weer over zijn vrije geheugen beschikte...nu wordt zijn droom werkelijkheid en kan hij eindelijk toetreden tot de Horst-ridders. De escorte zet zijn reis naar Leuven verder en de rest keert terug naar Horst. Daar horen ze het gekrijs van de magister en de kapelaan en Johan beukt de deur in..ondertussen verschijnt het gelaat van Demoniah in de spiegel en zij legt triomfantelijk uit dat ze haar doel bereikt heeft..de magister en de kapelaan zijn krankzinnig geworden! Maar met 1 ding hield ze geen rekening: Johan zet een stap naar voren en doorboort de zwarte spiegel. De betovering is verbroken en de 2 geleerden zijn weer de oude. Het gevaar is weer geweken, voorlopig althans...de ridders beschikken over nieuwe krachten met Godfried en de tempeliers, maar Demoniah zal in opdracht van Bahaal, prins der duisternis , blijven ijveren voor de ondergang van Horst, en al zijn bewoners!

Dit laatste echt "goeie" Horst-deel (Het levenselixir en de bierkoning waren beduidend minder!) gaat verder waar het vorige, "De steen der wijzen" eindigde, ook nu weer proberen de ridders van Horst de magister en de kapelaan te beschermen tegen Demoniah en haar handlangers....Veel fantasy alweer in deze episode, met Demoniah en Bahaal als vijand. Na de "Steen der wijzen" alweer een topper in de Horst-Saga.

147. Het levenselixir

Algemene informatie

Tekeningen

Scenario

Inkleuring

Uitgiftedatum

9/1993

Samenvatting

Jonax, een type van laag allooi, begeeft zich naar een herberg waar men een sollicitatieprocedure kan afleggen om toegelaten te worden tot een rabauwenbende. Hij slaagt met glans, en wordt ingelijfd. De werkgeefster blijkt niemand minder dan Demoniah te zijn, die weer snode plannen koestert. Ondertussen vindt in de Keizersberg, de versterkte burcht van Hertog Jan van Brabant, een geheim conclaaf plaats. Er heerst immers nogal wat naijver tussen de 7 machtigste families van Leuven, en de hertog ziet zijn machtspositie hierdoor bedreigd. Om alvast de familie Gillis een toontje lager te laten zingen, wil hij een nieuwe belasting op mout en hop invoeren. Hugo Pynnock wordt aangesteld als "meier", en zal instaan voor het invoeren en innen van de nieuwe cijnzen.

Ondertussen begint Demoniah's bende keet te schoppen en brand te stichten in de binnenstad van Leuven, zodat de hertog genoodzaakt is om een omvangrijke afdeling soldeniers daarheen te sturen. Johan strijd natuurlijk mee in de voorste gelederen, en staat al gauw oog-in-oog met Diederik en Jonax, 2 lieverdjes van Demoniah. Beide krijgen een lesje van onze held, en Jonax verraadt de ligging van het schuiloord van de bende. De Rode Ridder vertrekt spoorslags om Demoniah in te rekenen. Na het binnendringen van de woning wordt hij echter verrast door Diederik, die reeds terug op zijn positieven gekomen was. Gelukkig is ridder Godfried Johan gevolgd, en in een korte schermutseling wordt Diederik ontwapend.

Hij bekent prompt alles, en legt uit dat Demoniah van de verwarring gebruik wil maken om hertog Jan uit te schakelen. En inderdaad, met behulp van haar blaasroer baant ze zich een weg naar de vertrekken van de hertog, maar net als ze wil toeslaan komen Johan, Godfried en Diederik (die zich bekeerd heeft, en de kant van de "goeden" heeft gekozen) aansnellen en slaan het blaasroer aan diggelen. Demoniah kronkelt zich echter als een slang doorheen de schoorsteen, en ontkomt naar het dak van het kasteel. Johan en Godfried zetten een halsbrekende achtervolging in, maar zonder resultaat.

De volgende dag keren de ridders terug naar het kasteel van Horst, waar ze opgewacht worden door Lodewijk Gillis, een brouwer die steun zoekt om te bemiddelen bij hertog Jan. Magister Mordecaï, een alchemist die reeds een aantal albums lang op Horst vertoeft, heeft natuurlijk van de gelegenheid gebruik gemaakt om het bier van Gillis enigszins bij te werken, en heeft er een "schuimend, lekker en voedzaam brouwsel" van gemaakt, dat hij prompt zijn levenselixir noemt. Bovendien plant hij een voorstelling van deze nieuwe godendrank tijdens een grootscheeps bierfeest. Meer daarover in het volgend album, "De Bierkoning" …

Deze strip heeft volgens mij niet echt een verhaallijn, maar bestaat uit een aantal los aaneenhangende schermutselingen, achtervolgingen en vergaderingen. Eens te meer vraag ik me af waarom een duivelin met bovenmenselijke krachten als Demoniah zich bezig houdt met het orchestreren van pietluttigheden als een straatoproertje in Leuven. Biddeloo hinkt duidelijk op 2 benen: enerszijds wil hij Johan een plaats geven in de geschiedenis door hem te linken aan historische personages als Hertog Jan, maar anderszijds kan hij ook in deze "Horst-reeks" geen afscheid nemen van Demoniah. Alles wat ook maar enigszins misloopt in de omgeving van de Rode Ridder is steeds weer haar werk. Moest Johan op een morgen opstaan met stoelgangproblemen, dan zou daar zeker een boze bezwering van Demoniah tussenzitten, en zou Galaxa op de proppen komen met een laxatie-ritueel.

Het "masterplan" van Bahaal is toch al zo'n 140 albums lang het vestigen van zijn heerschappij over de hele wereld, maar hoe een burgeroorlogje in het Leuvense hiertoe kan bijdragen is mij niet helemaal duidelijk. Volgens mij moet Biddeloo een striktere scheiding aanhouden tussen zijn "Sword & Sorcery" verhalen en zijn pseudo-historische strips. Met deze vermenging van 2 stijlen is niemand gebaat.

148. De Bierkoning

Algemene informatie

Tekeningen

Scenario

Inkleuring

Uitgiftedatum

11/1993

Samenvatting

Deken Jacqui, een meester-kleermaker uit Leuven is op bezoek in Horst om Hugo Pynnock te voorzien van een nieuwe outfit, die past bij zijn hoge functie van Meier van Leuven (=belastingsontvanger). Na een ludieke modeshow, heeft Hugo eindelijk het geschikt kostuum gevonden, zodat hij met een sterke escorte naar Leuven kan vertrekken om de nieuwe belasting op mout en hop te innen. Het verschijnen van de Meier op de markt van Leuven doet onmiddellijk een opstootje ontstaan, en Hugo wordt bekogeld met tomaten.

Om zijn tanende populariteit op te krikken, besluit Hugo om een bierfeest te organiseren voor de bevolking van de stad. Deze feesten zullen o.a. de verkiezing van de bierkoning (via het afleggen van 3 proeven) en een praalstoet doorheen de stad inhouden. Bovendien brouwt Magister Mordecaï een nieuw soort bier, zodanig dat de Leuvenaars al hun zorgen (waaronder de nieuwe belasting) kunnen verzwelgen in een indrukwekkende hoeveelheid bier.

Als Johan terugkeert van een bespreking met Hertog Jan, wordt hij verrast door 2 schoeljes, die hem dank zij hun kogelboog gevangen nemen. Als hij tot zijn positieven komt, is hij geketend en torent Demoniah boven hem uit. Daarna ontspint zich een discussie van een pagina of 6 waarin Demoniah Johan probeert te verleiden tot de 'dark side of the force'. Ze trekt zelfs speciaal voor hem haar meest sexy jurk aan, maar Johan is niet te vermurwen : hij blijft Galaxa trouw.

Ondertussen is Johan's paard opgedoken zonder ruiter en prompt organiseert Meier Hugo een zoektocht naar Johan en beveelt dat iedere woning in Leuven ondersteboven gehaald moet worden. Onze sluwe Meier maakt overigens van de gelegenheid gebruikt om terzelfdertijd zijn belastingen te innen, hoe zou je zelf zijn?

Johan wordt echter niet gevonden. 's Anderendaags wordt de zoektocht afgeblazen want, er staan veel dringender zaken op het programma : met name de verkiezing van de bierkoning. De verkiezing gebeurt op basis van een behendigheidsproef (met een beker bier in de hand de rivier oversteken over een dun touw), een snelheidsproef (zo snel mogelijk een beker bier leegdrinken) en een uithoudingsproef (bier zuipen tot je er bij neervalt). Na deze stichtende vertoning, wordt Diederik (een ridder die zich in Album 147 aansloot bij de 'Bende van Horst') uitgeroepen tot de Bierkoning van Leuven.

Nu deze heikele kwestie van de baan is, kan men zijn aandacht weer toespitsen op de zoektocht naar Johan. Terwijl men nog bezig is met een uitgebreide discussie over de te volgen strategie, besluit Johan dat hij lang genoeg gevangen heeft gezeten : 'na uren zwoegen' slaagt hij erin om een schakel van zijn boeien los te wrikken. Daarna is het een fluitje van een cent om zijn 2 bewakers, de grappige poëten Janus en Manus, uit te schakelen en zich weer bij zijn vrienden te voegen. In één moeite door wordt het snood plan van Demoniah om het feestbier te vergiftigen (foei, foei !) verijdeld, simpelweg door ter plaatse te verschijnen

Net als zijn voorloper 'Het Levenselixir' heeft dit verhaal werkelijk niets om het lijf. De domheid van Demoniah's handlangers en de pietluttigheid van haar 'snode' plannen, zijn werkelijk stuitend. Zo heeft ze het nu in haar hoofd gehaald om de bierfeesten in Leuven eens lekker te verstoren ... als dat geen onmenselijk plan is. Voor zo'n delicht verschijn je heden ten dage voor één of ander VN tribunaal op beschuldiging van genocide.

Net zoals 'Het Levenselixir' is dit verhaal totaal niet gediend met de tusenkomst van de Duivelse Krachten, en was een ouderwetse 'whodunnit' misschien beter op zijn plaats geweest. Zo zou bijv. één van de door de belasting geviseerde families kunnen proberen om de bierfeesten te verstoren om Hugo Pynnock stokken in de wielen te steken. Blijkbaar hebben de vrienden van Johan een grenzeloos vertrouwen in hem, want i.p.v. verder te zoeken, genieten ze eerst een dagje van de bierfeesten, met een air van : 'Geen paniek, onze Rooie zal zichzelf wel bevrijden'. Wat hij prompt ook doet (Johan houdt er immers niet van om zijn vrienden te ontgoochelen).

Opmerkelijk:

  • In dit album is de gekende kolerieke, kaalhoofdige Jacqui figuur (onderwijzer uit Biddeloo's jeugd) eens geen barman, maar een kleermaker.

    Een album doorspekt met 'slapstick' momenten:

  • de modeshow van groteske kostuums door Hugo Pynnock
  • de snoeverijen van kleermaker Jacqui
  • het tomatenbombaredement op de Leuvense markt
  • de evenwichtsoefening van Hugo Pynnock tijdens de verkiezing van de bierkoning
  • het olijke duo Janus en Manus, dat voortdurend in rijmen spreekt, en op het eind van het verhaal in de prak geslagen wordt, terwijl Johan citeert uit hun verzameld werk.

    Naast een zwakke verhaallijn, misplaatste komische noten en totaal mislukte suspens (de ontvoering van Johan, remember) vertoont dit verhaal ook een miserabele tekenstijl : de tekening (schets ?) van een wild om zich heen trappende Hugo Pynnock spreekt in dit opzicht boekdelen. Om het op z'n Westvlaams te zeggen : dit verhaal is duidelijk geschreven 'tussen de soep en de patatten'.

149. De groene steen

Algemene informatie

Tekeningen

Scenario

Inkleuring

Uitgiftedatum

2/1994

Samenvatting

Het Hageland zucht onder een ware hittegolf. Johan kan die nacht de slaap niet vatten door de drukkende warmte en gaat wat rondzwemmen in de slotgracht. Nadat hij gedaan heeft met zwemmen ziet hij plots een zonderling lichtschijnsel en besluit dat te gaan onderzoeken. Bij dat licht ziet hij enkele Egyptenaren iets opgraven. Plots voelt Johan een scherp lemmet in zijn nek van een Numidische krijger, waarop hij zijn tegenstander velt en een verklaring eist voor wat er gebeurt. Op dat moment komt een tempelier, de commandeur van de nabijgelegen commanderij van Hauwaert, tussen en nodigt Johan uit mee te gaan naar de commanderij, waar hij een verklaring zal krijgen voor wat er gebeurt. Het opgegraven loden koffertje wordt zwaar bewaakt en met de grootste voorzichtigheid naar de commanderij gebracht. Ook de commanderij blijkt zwaar bewaakt door boogschutters op de muren en verschillende wachtposten. Johan wordt voorgesteld aan de grootkonstabel van de Tempelorde, Gonzaga de Eenoog en Aboe Hamed, een Egyptische hogepriester, de laatste ingewijde in bovennatuurlijke geheimen. Gonzaga doet Johan zweren om de waarheid die hij te horen zal krijgen absoluut geheim te houden.

Daarop begint Aboe Hamed zijn verhaal en vertelt over hoe de Egyptenaren onder de voet gelopen werden door de Romeinen, die belust waren op de schatten van de Egyptenaren. Hoewel ze wisten dat deze schatten beschermd waren door een vloek, drongen ze toch de graven binnen; en toen ze de graven verlieten met het gestolen goed stierven ze één voor één aan helse pijnen. Onder de Romeinse overheersing stierven veel Egyptische priesters en omdat hun kennis verloren dreigde te gaan, vluchtte hogepriester Ra-Hrj-Aa met o.a. het loden koffertje richting Brittannië. Door een storm op de Noordzee liep het schip echter op de klippen en enkel Ra-Hrj-Aa wist te ontkomen met het loden koffertje. Hij spoelde aan op de Vlaamse kust en na wat rondzwerven bereikte hij het Hageland, waar hij opgenomen werd in het midden van de druïden.

Terwijl Aboe Hamed zijn verhaal vertelt wordt de commanderij omsingeld door mysterieuze krijgers, die tot de aanval overgaan. Ondanks de pijlen van de boogschutters weten ze de muren van de commanderij te bereiken, waarop een harde strijd losbarst. Gonzaga vraagt Johan bij het koffertje te blijven om het te beschermen en zorgt voor wapenuitrusting voor beiden. De aanvallers slagen er niet in door te breken, waarop hun aanvoerder plots een glazen bol over de muur smijt, waaruit een gele damp opstijgt, en de verdedigers één voor één dood neerstorten. De aanvallers bereiken nu het middenplein, waar ze op de overlevende tempeliers stuiten die de ingang van de commanderij verdedigen. Doordat de aanvallers nu talrijker zijn weet een groep krijgers door te breken, en stoten op drie Egyptische dienaren en de lijfwacht van Aboe Hamed, die echter niet opgewassen zijn tegen de overmacht en vlug uitgeschakeld worden. Wanneer de aanvallers de deur, waarachter het koffertje zich bevindt, in stukken willen slaan, stormen Johan, Gonzaga en de commandeur naar buiten om de vijand tegen te houden. De aanvallers kunnen niet doorbreken, waarop de hoofdman beslist Johan uit te schakelen, door hem langs achter laf in de rug te treffen. De commandeur bemerkt het gevaar en weet op het nippertje in te grijpen en Johan te redden, maar hij valt hierdoor zelf onder het zwaard van de aanvoerder en sterft. Johan en Gonzaga houden hardnekkig stand en krijgen hun vijand langzaam maar zeker klein. De hoofdman probeert nog te vluchten, maar stuit op Johan die hem in een kort zwaardgevecht vlug weet neer te vellen. De strijd is gestreden: niemand anders overleefde de aanval.

Na afloop van de strijd vertelt Aboe-Hamed het geheim van het loden koffertje. In dat koffertje zit de groene steen, een overblijfsel van één van de twee tafels, waarop de tien geboden stonden die Mozes van Jahweh kreeg op de Sinaï en stuk sloeg toen hij zag dat de Israëlieten het gouden kalf aanbeden. Dit kwam terecht in handen van de Egyptische hogepriesters en bevat een krachtbron met onbeperkte mogelijkheden, waar misbruik van gemaakt kan worden. Het stuk moet dan ook teruggebracht worden naar de Sinaï. Hierop gaan Johan, Gonzaga en Aboe-Hamed onder begeleiding van een escorte naar Brugge om daar in te schepen. Wat ze niet weten is dat ze ondertussen opnieuw bespied worden door mysterieuze krijgers. Eenmaal aan boord van het schip wordt de reisweg besproken, waarbij vooral de Middellandse Zee gevaarlijk gebied lijkt te zijn, door enerzijds de Saracenen en anderzijds door Klingsor, gehuisvest in Kalot Enbolot op Sicilië en verantwoordelijk voor de aanval op de commanderij, en zijn roodharige gezellin Iblis. Wanneer het schip vertrekt worden ze gevolgd door de manschappen van Klingsor, maar wanneer de Magdala versterking krijgt van vier andere schepen, moet dat schip zijn achtervolging al vlug staken.

De reis verloopt zonder verdere problemen, maar eenmaal aan de “Zuilen van Hercules” (Gibraltar) aangekomen ziet de vloot de weg versperd door Moorse galeien en Barbarijse zeerovers, waardoor een treffen onvermijdelijk wordt. Een eerste aanvalsgolf wordt door de Tempeliersvloot meteen bekogeld met Grieks vuur, waardoor de vijandelijke schepen in lichtelaaie komen te staan. Maar een galei slaagt er toch in de Magdala te bereiken en in de poging om de Magdala te enteren ontstaat op het dek een zware strijd. Ook een tweede galei slagt er in de Magdala aan te vallen, waardoor het schip zich plots moet weren tegen een overmacht. Wanneer een groep aanvallers het achterdek van de Magdala bereikt, waar de katapulten opgesteld staan, bemerkt Johan het gevaar, en met enkele mannen dringt hij de tegenstanders terug tot ze de strijd moeten opgeven. Een vijandelijk schip werd echter uit het oog verloren en ramt met volle snelheid de Magdala, dat onmiddellijk begint te zinken. De andere tempeliersschepen schieten te hulp, maar al vlug wordt gemerkt dat Johan en Gonzaga onvindbaar zijn en een zoektocht levert niets op. De vloot zet zijn tocht verder, en net op dat moment duiken Johan en Gonzaga tevoorschijn tussen het wrakhout. De vloot is echter te ver weg en hulpeloos drijven Johan en Gonzaga rond op zee...

Het is duidelijk dat er gekozen werd voor een rustige opbouw van het verhaal. Tijdens het lezen heb je enerzijds het gevoel dat er veel gebeurt, en anderzijds dat het verhaal maar wat aanmoddert. Een tegenstrijdig gevoel dus, dat te verklaren valt door het feit dat sommige situaties weinig toevoegen aan het verhaal, niet uitgewerkt zijn en niet zorgen voor de nodige spanning waardoor je het gevoel krijgt dat het verhaal op een bepaald punt gebracht moet worden voor het vervolg op dit deel.

Dat dit album niet echt kan boeien komt doordat het hoogtepunt van dit album ligt bij de aanval van de commanderij, halverwege het verhaal. Daardoor heb je ook de indruk dat alles wat daarna komt enkel maar als functie heeft het verhaal te rekken. Denk bijvoorbeeld maar aan de manschappen die Johan en Gonzaga op weg naar Brugge bespioneren en het zwarte zeilschip dat de Magdala achtervolgt. Het beste werd blijkbaar opgespaard voor het vervolg, nl het extra-lange Klingsor.

150. Klingsor

Algemene informatie

Tekeningen

Scenario

Inkleuring

Uitgiftedatum

5/1994

Samenvatting

Op een najaarsochtend nadert een grote groep ruiters het kasteel Horst. Als blijkt dat het Tempeliers zijn, worden ze binnengelaten en naar Hugo Pynnock gebracht. De aanvoerder van de groep is de grootkanselier van de Tempeliersorde, Gonzaga. Hij is naar Horst gekomen om de mensen daar op de hoogte te stellen van de gebeurtenissen van de rode ridder. Hij zegt dat Johan waarschijnlijk niet snel zal terugkeren. Hij vertelt over de strijd tegen Klingsor en de avonturen met de groene steen. Na de overwinning op Sicilië bleven de Tempeliers en Johan nog een tijd op het eiland om mogelijke handlangers van Klingsor uit te schakelen. Op een dag kwamen Johan en Gonzaga in een rumoerige kroeg aan. Daar waren ze in gevecht geraakt met een groep Bulgaarse zeelui, die een oude, blinde man geschopt hadden. Bij het verlaten van de kroeg zag een Bulgaar nog wel de kans om een mes te werpen. In plaats van Johan te raken, trof hij de blinde man. De blinde man zou sterven aan zijn verwondingen, maar vertelde nog wel aan zijn dochter, Eleni, over een reis die zij moest ondernemen. Ze kreeg een klein lederen buideltje van haar vader en beloofde haar herberg te sluiten en op reis te gaan. Op dat moment besloot Johan met Eleni mee te gaan. Na dit verhaal gehoord te hebben, kan Hugo Pynnock niet geloven dat Johan zich zo in een onbekend avontuur heeft gestort. Gonzaga zegt verder alleen te weten dat Johan en Eleni met een koopvaardij schip richting het Anatolisch hoogland, in het oosten van Turkije, zijn gegaan.

Op dat moment bevinden Johan en Eleni zich al lang op volle zee. Eleni vertelt Johan over haar vader. Hij was een zeeman die verre reizen maakte. Maar tijdens een van haar vaders reizen sloeg het noodlot weer toe. Eleni’s vader had gehoord van een schat in de binnenlanden van Turkije. Maar tijdens een sneeuwstorm kwamen bijna alle reisgezellen om. Hij zelf werd blind. Bij thuiskomst van vader hadden enkele Bulgaren van de schat gehoord. Ze waren oude bekenden van Eleni’s vader en wilden hem het lederen buideltje afhandig maken. Johan opent het buideltje en vind een landkaart en een steenschilfer. Met de landkaart kunnen de twee hun doel bereiken. De steenschilfer blijkt afkomstig van de legendarische Ark van Noë. Deze Ark zou door een groot monster bewaakt worden. Eleni’s vader ontdekte de ark in het Turkse hooggebergte, maar betaalde een hoge prijs; hij werd blind. Eleni wil nu ook de Ararat beklimmen om de Ark te vinden. Intussen wordt het koopvaardijschip achtervolgd door een Bulgaarse schip.

Niet veel later bereiken Johan en Eleni de eerste halte op hun reis. Het koopvaardijschip meert aan bij het eiland Cyprus. Johan vraagt daar aan graaf Amauray, bondgenoot van de Tempeliers, of de Bulgaren kunnen worden tegengehouden. De graaf belooft het schip enkele weken aan de ketting te leggen. Daarop vervolgen Johan en Eleni hun reis. Eleni vertelt aan Johan dat haar vader op zijn reis een betrouwbare gids bij zich had, Hagopian de Armeniër. Ze willen aan hem vragen of hij hen kan begeleiden op hun reis naar de Ark. Later meert het schip aan in de Turkse haven. Niet veel later worden Johan en Eleni in een donkere steeg door enkele mannen aangevallen. Johan overmeestert de aanvallers snel en de mannen druipen snel af. De zwaardkunst van Johan wordt snel opgemerkt door Bobbeyan, handelaar en aanvoerder van een grote karavaan. Hij vraagt aan Johan en Eleni of ze met hem richting oost-Turkije gaan. De twee stemmen hiermee in. Na enkele dagen vraagt Bobbeyan aan Johan waar zij naar toe gaan. Hij merkt dat ze een bijzondere reis maken en hij denkt als handelaar dat er wat valt te halen. Maar Johan laat niets los. Na enkele weken komt de karavaan dicht in de buurt van Dogoebayazit, het dorp van Hagopian de gids. Eleni en Johan besluiten de karavaan te verlaten en gaan verder alleen op pad. Bobbeyan is woedend en gaat het tweetal achterna.

In Dogoebayazit aangekomen, treft het tweetal een stervende Hagopian aan. Hij bekijkt het stukje versteend hout en hij hoort het verhaal van Eleni. Niet veel later staat de doodzieke Hagopian klaar om als gids Johan en Eleni naar de Ark te begeleiden. Aan de voet van de berg vertelt Hagopian dat hen drie hindernissen staan te wachten. De eerste hindernis wordt gevormd door ontelbaar veel giftige slangen die de weg versperren. Door een beet van een van deze slangen is Hagopian nu ziek geworden. Door enkele brandende lappen kan het drietal ongestoord naar boven gaan. De tweede hindernis zijn de bewoners van het gebergte, een horde wilden honden. Hagopian werpt ze wat stukken rauw vlees toe. Dit houdt de honden even bezig waardoor de drie verder kunnen. De laatste hindernis is het gevaarlijke klimaat op de Ararat. Het drietal besluit te gaan schuilen. In een grot treffen ze tussen enkele geraamtes een grote hoeveelheid kostbaarheden aan. Ze laden de schat in de zadeltassen van de paarden, die terug naar Dogoebayazit worden gestuurd. Even later hoort Johan gehuil. Hij verlaat de grot en treft Darko, de leider van de wilde honden in een ijskloof aan. Johan hakt de hond uit de kloof. Daarna keert de hond terug naar zijn groep. Hagopian zegt dat Darko deze redding niet zal vergeten.

Hierna trekt de groep weer verder. Door een plotselinge val ontdekt Johan per toeval in het gletsjerijs de Ark van Noë. Het drietal besluit bewijsmateriaal voor de buitenwereld mee te nemen. In een van de houten gangen ontdekken ze een enorme schat. Waaronder ook een ring die misschien wel aan Noë heeft toebehoord. Maar op dat moment komt Bobbeyan de Ark binnengelopen. Hij heeft de schat in de zadeltassen van de paarden al opgevangen en nu wil hij ook deze schat meenemen. Hagopian en Johan moeten de buit in Bobbeyan’s reiswagen laden en zoniet, dan wordt Eleni omgebracht. De drie moeten gehoorzamen en gaan aan het werk. Maar dan wordt de groep overvallen door de wilde honden. In paniek probeert de dikke Bobbeyan te vluchten, maar hij glijdt met z’n overbeladen wagen uit en stort in een diepe afgrond. Johan bedankt Darko, die nu voorgoed verdwijnt. Toch is het avontuur nog niet afgelopen. Het monster van de Ararat blijkt toch te bestaan. Een grote mammoet komt op het drietal af. Maar dan wordt de aardkost opengespleten en de mammoet valt samen met de Ark in een diepe kloof. Het drietal keert weer terug naar beneden, maar daar treffen ze opnieuw de Bulgaarse zeelui aan. Na een zwaardgevecht komt de rode ridder als overwinnaar uit de strijd. Eleni bedankt Johan en ze zal nu voortaan Hagopian gaan verzorgen. Als aandenken en als bewijs voor het bestaan van de Ark schenkt Johan haar de ring van Noë. Hierna verlaat de rode ridder het Ararat-gebergte.

Dit is het laatste deel uit de Horst-cyclus. In dit verhaal hoort Hugo Pynnock dat Johan niet meer zal terugkeren. De verhaallijn is in dit verhaal redelijk, maar er zitten een aantal minpuntjes in. Zo is het bijvoorbeeld wat ongeloofwaardig dat een stervende man een paar minuten later aan een levensgevaarlijke bergbeklimming begint. En op het einde van het verhaal moet het monster van Ararat nog even snel in het verhaal worden verwerkt. Hij komt te voorschijn, maar meteen daarna is hij alweer in een kloof verdwenen.

Verder is het wel weer een echt avonturen-verhaal. Een verslag van een reis vol gevaren met als doel het zoeken naar een schat. De tekeningen in dit verhaal zijn niet meer zo perfect als in de eerste 120 verhalen, maar ze zijn toch redelijk. Vooral strook 57, waarin Biddeloo met tekenen en zijn bekende kopieertechniek voor het eerst de Ark in het verhaal brengt, vind ik erg geslaagd. Leuk om te weten is dat Darko destijds Biddeloo’s eigen hond was. In februari 1992 overleed Koetchia, Darko’s moeder. Op dat moment tekende Karel Biddeloo strook 70 van het album ‘Prins der Duisternis’. Op die strook is Demoniah afgebeeld. Darko overleed in april 1998. Op die dag tekende Biddeloo strook 34 van ‘De boetelingen’. En ook op die strook is Demoniah te zien…

151. Mysterie op Ararat

Algemene informatie

Tekeningen

Scenario

Inkleuring

Uitgiftedatum

9/1994

Samenvatting

Op een najaarsochtend nadert een grote groep ruiters het kasteel Horst. Als blijkt dat het Tempeliers zijn, worden ze binnengelaten en naar Hugo Pynnock gebracht. De aanvoerder van de groep is de grootkanselier van de Tempeliersorde, Gonzaga. Hij is naar Horst gekomen om de mensen daar op de hoogte te stellen van de gebeurtenissen van de rode ridder. Hij zegt dat Johan waarschijnlijk niet snel zal terugkeren. Hij vertelt over de strijd tegen Klingsor en de avonturen met de groene steen. Na de overwinning op Sicilië bleven de Tempeliers en Johan nog een tijd op het eiland om mogelijke handlangers van Klingsor uit te schakelen. Op een dag kwamen Johan en Gonzaga in een rumoerige kroeg aan. Daar waren ze in gevecht geraakt met een groep Bulgaarse zeelui, die een oude, blinde man geschopt hadden. Bij het verlaten van de kroeg zag een Bulgaar nog wel de kans om een mes te werpen. In plaats van Johan te raken, trof hij de blinde man. De blinde man zou sterven aan zijn verwondingen, maar vertelde nog wel aan zijn dochter, Eleni, over een reis die zij moest ondernemen. Ze kreeg een klein lederen buideltje van haar vader en beloofde haar herberg te sluiten en op reis te gaan. Op dat moment besloot Johan met Eleni mee te gaan. Na dit verhaal gehoord te hebben, kan Hugo Pynnock niet geloven dat Johan zich zo in een onbekend avontuur heeft gestort. Gonzaga zegt verder alleen te weten dat Johan en Eleni met een koopvaardij schip richting het Anatolisch hoogland, in het oosten van Turkije, zijn gegaan.

Op dat moment bevinden Johan en Eleni zich al lang op volle zee. Eleni vertelt Johan over haar vader. Hij was een zeeman die verre reizen maakte. Maar tijdens een van haar vaders reizen sloeg het noodlot weer toe. Eleni’s vader had gehoord van een schat in de binnenlanden van Turkije. Maar tijdens een sneeuwstorm kwamen bijna alle reisgezellen om. Hij zelf werd blind. Bij thuiskomst van vader hadden enkele Bulgaren van de schat gehoord. Ze waren oude bekenden van Eleni’s vader en wilden hem het lederen buideltje afhandig maken. Johan opent het buideltje en vind een landkaart en een steenschilfer. Met de landkaart kunnen de twee hun doel bereiken. De steenschilfer blijkt afkomstig van de legendarische Ark van Noë. Deze Ark zou door een groot monster bewaakt worden. Eleni’s vader ontdekte de ark in het Turkse hooggebergte, maar betaalde een hoge prijs; hij werd blind. Eleni wil nu ook de Ararat beklimmen om de Ark te vinden. Intussen wordt het koopvaardijschip achtervolgd door een Bulgaarse schip.

Niet veel later bereiken Johan en Eleni de eerste halte op hun reis. Het koopvaardijschip meert aan bij het eiland Cyprus. Johan vraagt daar aan graaf Amauray, bondgenoot van de Tempeliers, of de Bulgaren kunnen worden tegengehouden. De graaf belooft het schip enkele weken aan de ketting te leggen. Daarop vervolgen Johan en Eleni hun reis. Eleni vertelt aan Johan dat haar vader op zijn reis een betrouwbare gids bij zich had, Hagopian de Armeniër. Ze willen aan hem vragen of hij hen kan begeleiden op hun reis naar de Ark. Later meert het schip aan in de Turkse haven. Niet veel later worden Johan en Eleni in een donkere steeg door enkele mannen aangevallen. Johan overmeestert de aanvallers snel en de mannen druipen snel af. De zwaardkunst van Johan wordt snel opgemerkt door Bobbeyan, handelaar en aanvoerder van een grote karavaan. Hij vraagt aan Johan en Eleni of ze met hem richting oost-Turkije gaan. De twee stemmen hiermee in. Na enkele dagen vraagt Bobbeyan aan Johan waar zij naar toe gaan. Hij merkt dat ze een bijzondere reis maken en hij denkt als handelaar dat er wat valt te halen. Maar Johan laat niets los. Na enkele weken komt de karavaan dicht in de buurt van Dogoebayazit, het dorp van Hagopian de gids. Eleni en Johan besluiten de karavaan te verlaten en gaan verder alleen op pad. Bobbeyan is woedend en gaat het tweetal achterna.

In Dogoebayazit aangekomen, treft het tweetal een stervende Hagopian aan. Hij bekijkt het stukje versteend hout en hij hoort het verhaal van Eleni. Niet veel later staat de doodzieke Hagopian klaar om als gids Johan en Eleni naar de Ark te begeleiden. Aan de voet van de berg vertelt Hagopian dat hen drie hindernissen staan te wachten. De eerste hindernis wordt gevormd door ontelbaar veel giftige slangen die de weg versperren. Door een beet van een van deze slangen is Hagopian nu ziek geworden. Door enkele brandende lappen kan het drietal ongestoord naar boven gaan. De tweede hindernis zijn de bewoners van het gebergte, een horde wilden honden. Hagopian werpt ze wat stukken rauw vlees toe. Dit houdt de honden even bezig waardoor de drie verder kunnen. De laatste hindernis is het gevaarlijke klimaat op de Ararat. Het drietal besluit te gaan schuilen. In een grot treffen ze tussen enkele geraamtes een grote hoeveelheid kostbaarheden aan. Ze laden de schat in de zadeltassen van de paarden, die terug naar Dogoebayazit worden gestuurd. Even later hoort Johan gehuil. Hij verlaat de grot en treft Darko, de leider van de wilde honden in een ijskloof aan. Johan hakt de hond uit de kloof. Daarna keert de hond terug naar zijn groep. Hagopian zegt dat Darko deze redding niet zal vergeten.

Hierna trekt de groep weer verder. Door een plotselinge val ontdekt Johan per toeval in het gletsjerijs de Ark van Noë. Het drietal besluit bewijsmateriaal voor de buitenwereld mee te nemen. In een van de houten gangen ontdekken ze een enorme schat. Waaronder ook een ring die misschien wel aan Noë heeft toebehoord. Maar op dat moment komt Bobbeyan de Ark binnengelopen. Hij heeft de schat in de zadeltassen van de paarden al opgevangen en nu wil hij ook deze schat meenemen. Hagopian en Johan moeten de buit in Bobbeyan’s reiswagen laden en zoniet, dan wordt Eleni omgebracht. De drie moeten gehoorzamen en gaan aan het werk. Maar dan wordt de groep overvallen door de wilde honden. In paniek probeert de dikke Bobbeyan te vluchten, maar hij glijdt met z’n overbeladen wagen uit en stort in een diepe afgrond. Johan bedankt Darko, die nu voorgoed verdwijnt. Toch is het avontuur nog niet afgelopen. Het monster van de Ararat blijkt toch te bestaan. Een grote mammoet komt op het drietal af. Maar dan wordt de aardkost opengespleten en de mammoet valt samen met de Ark in een diepe kloof. Het drietal keert weer terug naar beneden, maar daar treffen ze opnieuw de Bulgaarse zeelui aan. Na een zwaardgevecht komt de rode ridder als overwinnaar uit de strijd. Eleni bedankt Johan en ze zal nu voortaan Hagopian gaan verzorgen. Als aandenken en als bewijs voor het bestaan van de Ark schenkt Johan haar de ring van Noë. Hierna verlaat de rode ridder het Ararat-gebergte.

Dit is het laatste deel uit de Horst-cyclus. In dit verhaal hoort Hugo Pynnock dat Johan niet meer zal terugkeren. De verhaallijn is in dit verhaal redelijk, maar er zitten een aantal minpuntjes in. Zo is het bijvoorbeeld wat ongeloofwaardig dat een stervende man een paar minuten later aan een levensgevaarlijke bergbeklimming begint. En op het einde van het verhaal moet het monster van Ararat nog even snel in het verhaal worden verwerkt. Hij komt te voorschijn, maar meteen daarna is hij alweer in een kloof verdwenen.

Verder is het wel weer een echt avonturen-verhaal. Een verslag van een reis vol gevaren met als doel het zoeken naar een schat. De tekeningen in dit verhaal zijn niet meer zo perfect als in de eerste 120 verhalen, maar ze zijn toch redelijk. Vooral strook 57, waarin Biddeloo met tekenen en zijn bekende kopieertechniek voor het eerst de Ark in het verhaal brengt, vind ik erg geslaagd. Leuk om te weten is dat Darko destijds Biddeloo’s eigen hond was. In februari 1992 overleed Koetchia, Darko’s moeder. Op dat moment tekende Karel Biddeloo strook 70 van het album ‘Prins der Duisternis’. Op die strook is Demoniah afgebeeld. Darko overleed in april 1998. Op die dag tekende Biddeloo strook 34 van ‘De boetelingen’. En ook op die strook is Demoniah te zien…


De Rode Ridder - Standaard Uitgeverij

152. Lyonesse

Algemene informatie

Tekeningen

Scenario

Inkleuring

Uitgiftedatum

11/1994

Samenvatting

Kort voor zonsopgang komt het schip uit Vlaanderen in de haven in het zuidwesten van Engeland aan. De Rode Ridder, die op verzoek van Merlijn naar Engeland terugkeerde, gaat aan wal.
Zijn komst was echter gemeld. Een groep huurlingen, waaronder de omgekochte krijgsman Jobar, wacht hem in de steegjes van het havendorp in een hinderlaag op. Net voor de bende wilt toeslaan, wint het eergevoel van de krijgsman het van zijn geldzucht en waarschuwt Johan voor het gevaar. Door deze daad wordt hij wel zelf door zijn makkers neergesabeld.
In het daaropvolgende gevecht weert Johan zich dapper, maar uit de zijstraten snellen nog meer krijgers op het strijdgewoel toe.
Toch slaat hun overwicht opeens helemaal over: een man in kapmantel bliksemt de hele overmacht met zijn staf neer. MERLIJN!!

Onmiddellijk blijkt dat Merlijn gehaast is. Hij zet de Rode Ridder aan tot spoed. Wanneer die echter de zwaar gewonden Jobar wilt ondervragen, krijgt Jobar slechts ‘Je wordt misleid en verraden! Niets is wat het lijkt.’ over zijn lippen. Wanneer hij begint over ‘de zwarte meester…’ wordt hij onverbiddellijk door Merlijn doodgebliksemd.
Er zou geen tijd meer zijn voor ondervraging en de krijgsman zou hen anders aan zijn kompanen verraden hebben.
Met een voelbare spanning tussen beiden starten de twee hun tocht naar het slot ‘Lyonesse’.
Onderweg legt Merlijn uit waarom alles zo geheimzinnig verloopt: Koning Arthur, waarvan iedereen dacht dat hij op het slagveld sneuvelde (zie nr. 41 – De laatste droom) is na zovele jaren uit zijn comateuze toestand ontwaakt en maakt zich in Lyonesse klaar om zijn oude idealen opnieuw na te streven.

In Lyonesse aangekomen, weet Johan niet wat hij er van moet denken. Zijn oude vrienden, die ooit zijn idealen deelden, zijn compleet veranderd:
Soldaten die ongewapende bedelaars afranselen noemt Merlijn ‘een onbelangrijk voorval’, Guinevere lijkt de hoofden van alle krijgsmannen dol te maken (en is een pak anders gekleed, maar daar heb ik geen probleem mee) en Arthur zit te broeden op een Europese invasie.
Wanneer Johan naar zijn vertrekken is, overleggen de drie anderen. Uit hun gesprek blijkt dat de Rode Ridder met drie dubbelgangers en een zoveelste plan de Bahaal te maken heeft.
Intussen krijgt Johan op zijn kamer een rond een steen gewikkeld perkament toegeworpen. ‘Niets is wat het lijkt,’ is de weinigzeggende mededeling.
De bedelaar die de boodschap gooide, wordt echter door een torenwachter opgemerkt en meermaals door pijlen getroffen, bevecht hij zich met slechts zijn bedelstaf een weg naar de borstwering. Daar springt hij de diepte in en verdwijnt tussen de klippen in zee.
Ook Johan heeft het inmiddels aan de stok met de soldaten van Lyonesse. Vanop zijn kamer zag hij het hele voorval en wou de bedelaar ter hulp schieten. De kasteelwacht wou hem echter kost wat kost al een halve gevangene op zijn kamer houden.
Slecht met tussenkomst van Arthur en onder bedreiging van Merlijns toverstaf keert de orde weer.
Daarop vertelt Johan zijn vermoeden: Een man die geen grote hinder van pijlen ondervindt, omdat hij onder zijn kledij een maliën draagt en bovendien kan stokvechten, zou wel eens een vermomd ridder kunnen zijn in plaats van een bedelaar. Arthur houdt echter de mogelijkheid open dat het een spion van Bahaal is.
Vol vragen keert Johan naar zijn kamer weer…

In schril contrast met de bedelaars buiten houdt Arthur ’s avonds een feestje met de duurste gerechten en wijnen. Daar krijgt de Rode Ridder zijn nieuwe opdracht:
Arthur mist Excalibur, het symbool van zijn koningschap. Lancelot zou zich na Arthurs dood over het zwaard ontfermd hebben. Johan moet uitrijden en het mytische zwaard desnoods met geweld terugbrengen.
Diezelfde nacht gaat Johan, niet wetende dat hij gevolgd wordt, op zoek naar Lancelot en Excalibur.
Tegen het ochtendgloren bereikt hij de grotten aan de kust, waar Lancelot zich als kluizenaar zou teruggetrokken hebben.
Daar ontmoet hij de geheimzinnige bedelaar uit Lyonesse die niemand minder dan de vermomde Lancelot blijkt te zijn. Zijn boezemvriend waarschuwt de Rode Ridder voor Bahaals drie dubbelgangers. Samen gaan ze op weg naar het domein van Morgana, die thans Excalibur bezit.
De waterfee voorziet een treffen tussen Licht en Donker en geeft Excalibur in bruikleen om Bahaals leger te trotseren. Daarop trekken de twee wapenbroeders naar Tintagel, een ander burcht aan de Engelse kust en waar de echte Merlijn verblijft.
Onderweg botst het tweetal echter op hun achtervolgers, maar in een kort maar spectaculair gevecht rekent Excalibur genadeloos af met de zwaargewapende krijgers.
Hoewel ze ongemerkt vanaf een bootje op zee gevolgd worden, bereiken de ridders Tintagel, waar ze zowel oude vrienden als nieuwe bondgenoten ontmoeten.
Merlijn is echter getroffen door een ziekte en kan slechts genezen met behulp van zijn toverstaf, die nu in het bezit is van zijn dubbelganger.
Terwijl in Lyonesse het verkennersbootje verslag uitbrengt, bereiden Johan en Lancelot zich voor op hun missie naar Lyonesse met slechts één doel: de toverstaf herroveren.

Door terug te keren naar Engeland sluit Johan zijn Horst-periode dan uiteindelijk definitief af. In het begin van het vorige album zagen we nog een laatste maal Horst toen Gonzaga Johans vrienden gaat inlichten. Hoogst waarschijnlijk is ook Johan na zijn Ararat-avontuur wel nog naar Horst willen terugkeren, gezien hij bij het begin van dit album uit een Vlaams schip stapt.
Het verhaal op zich is zeker niet slecht te noemen, hoewel ik persoonlijk wel een gevoel zoals in ‘Excalibur’ heb. (misschien toevallig, maar ook daarin moet onze vriend het mytische zwaard gaan zoeken)
Men holt van plaats tot plaats en van gevecht naar gevecht, maar op het einde is er nog niets opgelost.
Misschien daardoor dat het verhaal nooit echt van de grond komt, maar de inkleuring en de bijgevulde boezem van Guinevere in 26.3 zorgen dat de strip op vlak van amusement al heel wat goed maakt.
Eigenlijk is het ongepast om dit album apart te bespreken, gezien het verhaal dienst doet als springplank voor de volgende vijf albums.
Dankzij dit album kunnen Johan en Lancelot nadien de toverstaf bemachtigen; dankzij dit album geraakt ‘De slavenmeester’ van start als Johan Excalibur terugbrengt; dankzij dit album raakt Johan op een iets geloofwaardigere manier dan de Kronieken terug met avonturen in Engeland

Subcategorieën

Pagina 15 van 27